Er is maar één verhaal.

Ik wil dit blog voornamelijk gebruiken voor dramaturgische en verhaaltheorieën. Ik deel wat ik er over tegenkom in de sociale media en doe bij voorkeur minder aan meningen.

Dit filmpje gaat uit van de theorieën van Joseph Campbell, een theoloog die ontdekte dat alle mythen (plots) hetzelfde patroon volgen. Je ziet dan ook dat de zoetste Disney-film en de duisterste Reis naar het Einde van de Nacht min of meer dezelfde weg afleggen. De Rus Vladimir Propp kwam overigens al eerder tot soortgelijke bevindingen.

Meestal wordt de film Star Wars als voorbeeld aangehaald: alle stappen van de held-mythe worden in deze films doorlopen. Wat niet verwonderlijk is, omdat Joseph Campbell zelf bij de ontwikkeling van dit verhaal is betrokken.

Dit te weten, over reizen, tegenstanders, wachters en godinnen, maakt het schrijven overigens niet per definitie makkelijker. Iedere tijd, iedere kunstenaars blaast op eigen wijze dit standaardverhaal onvervangbaar nieuw leven in.

Ironie

Het filmpje hier gaat over ironie. Ik doe nogal veel aan ironie; het idee om hele erge dingen als een stomme grap te beschouwen houdt me iets meer overeind dan diezelfde hele erge dingen als heel erg te beschouwen. Maar David Foster Wallace vind -althans volgens dit filmpje – dat een verwerpelijke levenshouding, zeker in de kunst. Of, zoals in dit filmpje genoemde voorbeelden, de comedy. ‘Seinfeld’ is volgens dit filmpje een cynische, afstandelijke, postmodernistische rot-serie en ‘The Partridge Family’, en andere comedyseries die vaak eindigen in een ‘groep-hug’ zijn goed. Ik word altijd een beetje misselijk als ik een groep-hug zie. In plaats van een zichzelf relativerende ironie zou je sincerity, oprechtheid moeten nastreven. Wel humor, maar dan afgewisseld met ontroering en sentimentaliteit.
Volgens mij hebben de Amerikanen nooit iets van de échte romantiek begrepen. Dat je kunt lachen in plaats van huilen. Dat humor een geweldig middel is om pijn, leegte en eenzaamheid te verbeelden. De Amerikanen hebben niets met Heinrich Heine, laat staan onze eigen Gerard Reve. Ik wed dat de Amerikanen Moby Dick totaal anders lezen dan ik. Ik vind het boek nog net te pruimen vanwege al die groteske stompzinnigheden, maar de Amerikanen nemen het allemaal bloedserieus.
Rond de laatste eeuwwisseling was er in de amerikaanse film en televisie even ruimte voor deze romantische ironie, die hier als postmodern wordt omschreven. (American beauty, Donnie Darko, six feet under) Maar daarna sluit het gordijn weer en ‘hugt’ de hele familie elkaar weer nadat de misverstanden uit de weg zijn geruimd. Bwaaagh…
In alle ernst, zonder te zeggen ‘nou is ironie weer niet goed’, hoe staan jullie er in? Vinden jullie ‘ironie’ ook zo verwerpelijk, zoals David Foster Wallace volgens dit filmpje zou beweren?

Mythen

citroen_ds_front_20080126Vroeger dacht iedereen dat de aarde plat was (er zijn er nog steeds een paar die dat denken),  dat Jezus waarlijk is opgestaan (daar heb je nog steeds een behoorlijk aantal van) en dat Zeus zichzelf in een stier veranderde, en daarna, in de gedaante van een adelaar Europa verkrachtte in een wilgenbosje naast een bron. (Tegenwoordig zijn er niet veel mensen meer die dat geloven.) Destijds wisten de mensen niet dat het maar ‘mythen’ waren. Ze dachten gewoon dat het waar was. Dat wil niet zeggen dat we tegenwoordig van mythen verlost zijn. Waarschijnlijkheden we er nu minstens zo veel, alleen kunnen we ze niet zo goed zien.

De filosoof Roland Barthes, van wie ik nu een boekje lees om intellectueel over te komen, legt het mooi uit. In de jaren ’50 schreef hij elke maand een artikel over wat hij beschouwde als een mythe van zijn tijd. Op die manier ontmaskerde hij een dichteres van negen jaar, die toen wereldberoemd was omdat ze maar negen was en al echte gedichten schreef,  hij ontmaskerde biefstuk met frieten, ‘Lieve Lita’-achtige rubrieken en de nieuwe Citroën DS. Zijn verklaring voor hoe deze moderne mythen werken vind ik interessant.  Een mythe werkt niet met feiten, maar met afspraken. We hoeven niet te weten dat het zo is, we spreken áf dat het zo is. Dat kan ook niet anders, we kunnen niet van alles nagaan of het waar is. We hebben aan een kleutertekeningetje van een boom genoeg om te weten dat het een boom is. We hoeven geen echte boom te zien om ons een boom voor te stellen. Sterker nog, we hoeven alleen maar de letters b-o-o-m  achter elkaar te lezen en we zien het ding al voor ons. Dat doen we met bomen, dan doen we ook met moeilijkere dingen zoals leven en dood, gevaar en voorspoed. En daar is dus ruimte voor onzin, vervalsing, propaganda, reclame en andere hyperbolen.

Mythes laten zich niet allemaal makkelijk ontmaskeren. Als je in een links denkraam zit, kun je de mythen van rechts makkelijk ontmaskeren: Immigratie uit arme landen is een gevaar voor onze samenleving, drugs zijn het grote gevaar en moeten met het grootste geweld worden bestreden, belasting is slecht voor de economie, cultuursubsidie is per definitie weggegooid geld. Als je in een rechts denkraam zit, kun je de linkse mythen makkelijker ontmaskeren: vertrouwen op weldenkendheid, redelijkheid en solidariteit.  Dat het Kapitaal het grote kwaad is. Dat iedereen biologisch-dynamisch moet eten. Dat de klimaatverandering de schuld is van het kapitaal. Het is voor mij  tekenend dat ik meer moeite heb met het opsommen van linkse mythen dan van rechtse mythen. Ik probeer beide te zien en te ontmaskeren, maar het valt me niet mee. Overigens, waarschijnlijk is het hele idee van links-rechts een mythe.

Als er iets duidelijk wordt uit dat boekje van Barthes, dan is het wel dat mythen tijdelijk zijn, althans in hun uitingsvorm. De Citroën DS is qua mythe al lang vervangen door de iPhone. Het automodel (als uiting van de moderne tijd en de toekomst) wordt nu hooguit uit speelse nostalgie vereerd, zoals de stoomtrein en koken op petroleum.  Maar nu is het mijn eigen iPhoontje, waarvan ik denk dat die me in contact houdt met de huidige tijd en het idee van onsterfelijkheid verleent. De uitingsvormen blijven nog een tijdje bestaan als curiosa, maar worden eigenlijk een beetje absurd. De eierkoeken van Sonja Bakker. Het acht uur journaal. Zwarte Piet als onschuldig fenomeen natuurlijk. En, ik haat het te zeggen, het bestaan van schouwburgen.

Een stervende mythe is die van een toekomst vol morgenrood, met vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ooit verving die voor een deel de mythe van de hemel en het paradijs. De liefdesmythe (vrijheid, gelijkheid enz)  deed het in de vorige eeuw nog best, maar die  is vervangen door de mythe van uitvindingen en technologie. ‘Straks kunnen robots voor ons werken en computers voor ons denken en dat is heerlijk!’ —   Als ik mijn redenering doortrek zal ook díe mythe aan zijn einde komen en vervangen worden door iets anders misschien wel door iets waar de kiem al onder ons aanwezig is. En dat is lullig, maar op een vreemde manier misschien ook troostrijk.

 

 

Twee rollen

The Zoo Story
The Zoo Story

In The Zoo Story van Edward Albee, zijn eerste toneelstuk, ontmoeten twee mannen elkaar op een bankje in het Central Park. Ik ben wel eens in het Central Park geweest en alles wat er over wordt gezegd, zelfs de grootste onzin,  klopt. Maar goed. Een aardige intellectueel probeert op dat bankje de chique New York Times te lezen en hij wordt aangesproken door een man uit het volk, die om een praatje verlegen zit. De man uit het volk ventileert zijn twijfelachtige normen en waarden, zijn verhalen, waaruit een grote verongelijktheid spreekt, is hartstochtelijk in alles, waar de brave intellectueel geen weerwoord op heeft. Het eind is (spoiler) dat de brave intellectueel, met al zijn pacifisme en rationalisme,  de man van het volk dood schiet. My Dinner with André (André Gregory en Wallace Shawn) vertelt het verhaal van twee mannen in een restaurant, die elkaar verhalen vertellen. Eentje heeft geluk in het leven gehad – is beroemd regisseur en acteur geworden, en de ander een ploeterend acteurtje die zich niet thuis voelt in dat deftige restaurant. De rijke man vertelt verhalen over alle reizen en meditatiecursussen in zijn leven, de kleine acteur kan alleen maar antwoorden met verhalen over mensen bij hem in de buurt. De wasserij, de winkel op de hoek, zijn huwelijksproblemen — wie verdient onze bewondering en wie verdient onze sympathie? Ik hou wel van dit soort stukken. Ik noem ze ‘talking heads’, een scheldwoord voor mensen die geloven in ‘show, don’t tell’ – en daardoor een geuzennaam. Ik denk echt dat je werelden vol chaos en poëzie, waarheid en leugens – de illusie van leven kunt oproepen door middel van de conversatie. Bij Plato, in Symposion, zie je al dat een botsing van meningen aan een tafel levendiger,  interessanter en spannender kan zijn dan een oorlogsverslag. ‘Fragmenten’ is een stuk van onder andere Jeroen van den Berg, deels in het Nederlands en in het Engels geschreven. Twee mannen proberen op hun manier de horizon te interpreteren die zij voor zich zien. Ze proberen het met elkaar eens te zijn, maar zelfs de horizon is voor ieder weer anders. Ik denk dat ik een stuk zou willen schrijven over twee gitaarspelenden mannen.

Michel

12189089_10206874709038822_8807548573900404480_n

Klein fotootje, maar als je goed kijkt zie je als tweede figuur mijn personage Doeke Zandman, gespeeld door Michel van Dousselaere. Vandaag kocht ik De Volkskrant en daarin stond een drie pagina’s lang artikel over hem. Hij lijdt aan een soort dementie, die zijn taalvermogen ruïneert. Het begon er al mee dat hij geen teksten meer kan onthouden en het gaat gestaag een kant op waarop hij geen woord meer kan uitbrengen. Natuurlijk schrik ik van dit nieuws. Het is al een ramp als je als acteur de taal verliest, maar bij een taalgenieter als Michel is dat helemaal verschrikkelijk. Het Land Achter de Slaap was de tweede voorstelling die ik had geschreven waarvoor ik betaald werd. De acteurs lazen het op het moment dat ik nog heftig met het einde zat te worstelen. Niemand nam me dat kwalijk. Michel was zelfs heel genereus. Met zijn stevigheid, en zijn uitbundigheid stak hij zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. Het stuk ging over de wens een liefde te vergeten en de ondankbare taak van een clownesk figuur, die dromend in de droom van Doeke Zandman verzeild is geraakt, het een en ander recht te zetten. Michel begon het dadelijk over Max Frisch te hebben, de Zwitserse auteur die voortdurend zijn eigen ervaringen analyseert en altijd uitkomt op vervreemding en latent geweld. ‘Het gaat over vergeten, al of niet expres, wie je bent,’ vertelde Michel. ‘Neem bijvoorbeeld Stiller. Meneer White in wordt opgepakt  als ene Stiller op verdenking van spionage, maar hij is Stiller niet. Althans dat zegt hij. Om vrij te kunnen komen uit de gevangenis gaat hij onderzoeken wie die Stiller dan wél is. Hij identificeert zich met hem en wordt zelfs verliefd op zijn vrouw. Op het laatst weet je niet meer of hij nou White of Stiller is. Die namen zijn ook zo goed gekozen!’ En dan ging het weer over Gantenbein. ‘Ongelofelijk! Dat gaat over een man die blind is, en als hij getuige is van de moord op zijn eigen vriendin weet hij niet of hij zijn fake-blindheid moet verraden!’ – In hoeverre het werk van Max Frisch met mijn eigen werk te maken heeft weet ik niet, maar Michel heeft me wel warm gekregen voor een soort literatuur dat ik daarvoor nog niet had gelezen. Ik kende natuurlijk wel Biedermann und die Brandstifter, over een man, een fatsoensrakker,  die terroristen op zolder heeft wonen, en uit angst hun terroristische daden keer op keer vergoelijkt. Al hebben we elkaar meer dan twintig (misschien wel dertig) jaar niet gezien, ik ben blij hem te kennen, deelgenoot te zijn geweest van zijn fascinaties en zijn stijl van leven en acteren en vind het spijtig dat het nu zo met hem gaat. Voor de volledigheid: vlnr Kees Wennekendonk, Michel van Dousselaere, Jonna Coolen en Jacqueline Kapteyn.

 

Briljant

Sinds regisseurs de belangrijkste auteurs zijn van toneelstukken, dient de schrijver zich verre te houden van regieaanwijzingen. ‘We maken zelf wel uit of we een acteur van links naar rechts of van rechts naar links laten lopen,’ zeggen ze. En daar hebben ze gelijk in. Maar toch, omdat ook het beeld  deel van de vertelling uitmaakt moet je als schrijver kunnen aangeven wat de sfeer is je voor ogen staat. In amateuristische toneelstukken zijn de eerste aanwijzingen, voor de dialoog begint, meestal van organisatorische aard. Links een deur naar de keuken, rechts een deur naar de slaapkamer. Op de achterwand tuindeuren die leiden naar een tuin.’ Dat soort werk. Maar nu lees ik de eerste zin van de regieaanwijzing van Oscar Wilde in An Ideal husband, en het is meteen een zin die je, alsof je door een raket bent afgeschoten,  binnen in de wereld van zijn verhaal brengt. Die meteen de sfeer oproept, met de mensen die we zullen zien, de avond die we zullen beleven. Een heerlijke rake zin.  Je zult geen van de acteurs die zin horen zeggen, maar je zult hem voelen door alle poriën die bij een goed kunstwerk open staan. In het decor, in de manier van spelen, in het licht, in het geluid, in de subtekst, in de programmaboekjes … Het roept feest op en tegelijk een voorafschaduwing van verval en decadentie.

De zin luidt: The room is brilliantly lighted.

En dan een dialoog van mooie vrouwen, op zoek naar mooie rijke kerels: ‘I should have some serieus purpose in life. So I come here to try to find one.’ – De ander kijkt rond en zegt: ‘I don’t see anybody here tonight whom  one could possibly call a serious purpose. The man who took me in to dinner talked to me about his wife the whole time.’

En dat allemaal brilliantly lighted!

Theaterfestival

Drie jaar geleden was ik bij het Theaterfestival. Ik houd me bezig met de vraag of theater ‘actueel’ moet zijn.

Nederlands Theater Festival: Orlando. Van Het Toneelhuis. Sommige voorstellingen confronteren, andere ontmaskeren, weer anders stellen iets aan de kaak – deze voorstelling doet dat allemaal niet. De roman van Virginia Woolf wordt gewoon verteld door de zachte, vriendelijke stem van Kathelijne Damen. Sleept ons mee in een sprookjesachtige, taalzwangere fantasie van een vrouw, die, blijkt, heftig lijdt aan de tijd. Het verleden als een beeldschone roman, het heden als een vuile, smerige heksenketel. Geen voorstelling waarbij revoluties zullen uitbreken of kabinetten door gaan vallen. 

Daarna liep ik de drukke stad in. De zomer is afgelopen. De jas moet weer aan. Het is begonnen te regenen.

Ook zag ik een voorstelling van Sarah Kane, een schrijfster die veel Nederlandse toneelschrijvers heeft geïnspireerd.

Nederlands Theaterfestival: Psychosis 4.48. Het laatste stuk van Sarah Kane over haar eigen, op handen zijnde zelfmoord. Een monoloog. Het stuk begint met: ‘Ik heb er geen zin meer in. Was ik maar dood. Ik wil niemand zien. Ik doe alles verkeerd. Als ik ga slapen hoop ik dat ik niet wakker word.’ En het eindigt, zoals te verwachten, met ‘eindelijk rust’. Daartussen ontstaat een zo sombere sfeer dat ieder grapje welkom is. Het personage wordt verliefd op haar therapeut, die als enige vriendelijk tegen haar heeft gedaan. Als de therapeut zegt dat hij niet verliefd op haar is, wordt de eindfase van de wanhoop ingezet.

Destijds schreef ik:

Ik hou niet van stukken over wanhoop. Ik wil niet meer weten hoe slecht we er aan toe zijn. Ik weet het al. Je krijgt er goeie literatuur van, maar ik heb er gewoon even geen zin in.

-Maar dat zegt meer over mij, toen, dan over het stuk en de uitvoering. Die was indrukwekkend.

 

 

Soprano’s

De afgelopen weken ‘The Soprano’s’ nog eens helemaal ge’binged’. Alle seizoenen. Van fade-in tot de laatste, dramatische fade to black. De eerste van een soort tv-series dat mensen avonden- en nachtenlang aan het scherm gekluisterd hield: ‘Vooruit, nog één aflevering dan…’ Ik genoot van de verhaallijnen maar nog meer van de zwier waarin de scènes aan elkaar werden geschakeld. Vrij losjes, a-chronologisch – iedere scene was een soort sketch over het karakter van een personage, of over een moeilijke relatie, of over een onderhandeling en soms een stukje rauw geweld. ‘The Soprano’s’ liet me op een andere manier naar mijn eigen werk kijken en is zeker van invloed geweest op de manier waarop ik de serie ‘Boven Wotter’ schreef.

Maar is het bijna tien jaar na de laatste aflevering nog steeds leuk?

Veel vondsten zijn inmiddels gemeengoed geworden. De cinematografische, ‘europese’ introducties, de langzame ontwikkeling van de personages, meer focking straattaal. Nu is het genre van de langlopende serie al zo ver doorontwikkeld, dat je eigenlijk kunt zeggen dat het z’n beste tijd heeft gehad.Het geld heeft het weer overgenomen van de lust om eens  iets anders te vertellen. In het begin was het voor de makers op een houtje bijten: er was maar twee miljoen per aflevering beschikbaar. (Daar maken wij hier overigens zes series van). De serie  dreef op de creativiteit van de makers en de ambitie van de vrij onbekende acteurs. Er werd behoorlijk wat risico genomen, maar dat was mogelijk omdat er niet zo veel geld verloren was als het mis ging. Maar in dit unieke geval ging het niet mis. Zo hoefden de acteurs niet mooi te zijn en niet jong en aantrekkelijk. Zo kon een dikke man sexy worden. Zo konden ze experimenteren met de muziek en met literaire en cinematografische verwijzingen. Het was fun. En ik zag het er nog steeds aan af.

Een verhaal is niet het leven zelf, zei Robert McKee, maar een metafoor voor het leven. Zo is het. Bij de opkomst van Tony Soprano hoort hoogmoed en dan ondergang. Het echte leven is grilliger, betekenislozer en stompzinniger. Hoewel. Het eind van de personages blijkt zich op de een of andere manier door te zetten in de acteurs. Jim Gandolfini, die Tony Soprano weergaloos speelde, overleed een paar jaar geleden tijdens zijn vakantie in Rome aan een hartaanval. Hij had pas zijn eerste grijze haren. Carmela, Edie Falco, heeft in nog wat goeie series gespeeld, maar kampt nu met borstkanker. Jamie-Lyn Sigler, die Meadows speelde lijdt aan MS en Robert Iler, de verwende zoon Anthony Junior, is aan lager wal geraakt. Als je met die wetenschap de serie weer bekijkt, krijgt alles nog veel meer diepte.

 

Slachtdialogen

Ik lees op dit moment Wolf Hall van Hilary Mantel. Als je eenmaal aan de elliptische stijl gewend bent is het prima te doen, vooral vanwege de  gewelds-scenes. Een moord, een brandstapel, een stevige vechtpartij. Maar ook een ander soort scene, die verband houdt met al dat geweld.  Een scene die weliswaar in taal wordt uitgevoerd, in de vorm van een gesprek, maar waar fysiek geweld en onrecht aan ten grondslag ligt. Ik noem het bij gebrek aan beter de Slachthuisscone. Een andere term is welkom.

Het is  de scene waarin een zuiver onschuldig personage tot staatsgevaarlijke vijand wordt verklaard door middel van een gesprek. Met als gevolg dat je uit de gratie valt en je leven niet langer zeker bent.  Bekentenissen worden ontlokt met gefabriceerde bewijzen, zinnen worden expres verkeerd geïnterpreteerd, woorden worden verdraaid. Een kat-en muisspel met woorden. De manier waarop een  bedrijfsleider van een oplettend personeelslid afkomt, die onregelmatigheden in de administratie heeft ontdekt. De manier waarop krijgsgevangenen tot bekentenissen worden gedwongen.

Ik stel me bijvoorbeeld een Turkse groenteboer voor, vriendelijk voor iedereen, op handen gedragen door de buurt. Op een ochtend krijgt hij bezoek van een paar mannen. Tot zijn eigen verbazing blijkt hij aan het eind van de ochtend een Gülen-aanhanger, een terrorist en een vijand van het Turkse Volk blijkt te zijn. Het gevolg van dit gesprek laat zich raden. Vroegere vrienden gaan hem vanaf dat moment ontwijken en in de nacht worden zijn ruiten ingeslagen, de winkel overhoop gehaald, of er worden zo maar drugs aangetroffen, die hem meteen een bezoek van de politie opleveren..

Dat gesprek. Van: ‘Goedemiddag heren wat kan ik voor u betekenen.’ ‘Als ik jou was zou ik ons maar niet zo schijnheilig goedemiddag wensen, want je zaak staat er slecht voor.’ tot ‘Maar dat heb ik helemaal niet gedaan’ ‘Dat heb je vaker gezegd, klootzak, je herhaalt je zelf. En je weet net zo goed als ik dat je staat te liegen.’ – dat is de slachtdialoog. Het moreel van een in wezen goed mens wordt volkomen afgeslacht. Je vindt deze technieken in de Romeinse literatuur, denk ik,  en in Jakobijnse toneelstukken. Ze zijn zo oud als de wereld, en bloedstollend. En, ondanks de grofheden, verfijnd, zoals een stierenvechter danst met een stier. De spanning zit hem in: ‘Houdt de Onschuldige, ondanks alle verbale geweld, zich staande?’ (Nee.) In de roman Wolf Hall moet de hoofdpersoon zijn eigen vrienden aan dergelijke verhoren onderwerpen, wat de scene een extra dimensie geeft.

Vaak is een verschuiving van macht de achtergrond van dit soort gesprekken. Het is oorlog op gespreksniveau.Wie het recht heeft een kamer binnen te komen en ongestraft ongehoorde grofheden te uiten, heeft de slag eigenlijk al gewonnen. Achter elk personage staan groepen van medestanders. Meestal met een duidelijke ‘mening’ – een mantra die door de factie wordt ingegeven. Trump-aanhangers intimideren aanhangers van mevr. Clinton met de volgende mantra: Ze is gek, ze is een bedriegster, ze moet in de gevangenis.

Hoe dan ook, de bedoeling is met dit soort scènes de lezer of toeschouwer het bloed te laten koken. En ik hoop dat het mij een paar keer in het leven lukt dat te schrijven.

Cultuurdebat

Ik kwam jaren geleden naar De Balie voor een debat over cultuur uit andere streken. Ik hoopte van alles te weten te komen over hedendaagse Chinese prentkunst, modern theater uit het Midden-Oosten, elektronische muziek van de Inuit en de Colombiaanse avant-garde. Het woord ‘debat’ had me al moeten waarschuwen, want een cultuurdebat gaat niet over cultuur. Een cultuurdebat gaat over politiek van het engste soort.

Ik denk dat het er in het begin nog wel een paar Irakese kunstenaars werden geciteerd, maar al gauw werd het onderwerp terzijde geschoven door vragen uit het publiek.

‘Waarom gaat het weer over de Irakese elite?’ vroeg een jonge man zich hardop af, ‘en waarom gaat het nooit over de ellende die wij Koerden meemaken?’

‘Het gaat al genoeg over de Koerden!’ riep een andere jongeman. ‘Koerden en hun zogenaamde ellende.  Alsof wij Turken niet het recht hebben onszelf te verdedigen.’

De voorzitter greep in. Hij zei: ‘Laten we ons bij het onderwerp houden. Zoals de filmer Abbas Kiarostami zei…’ Maar hij kon zijn zin niet afmaken. Een andere  jongeman stond boos op. ‘Turken die het recht hebben zichzelf te verdedigen? Ha ha! — En de Armeniers dan?’

Godallemachtig. Ik begon me stierlijk te vervelen. De volle zaal begon naar zweet te ruiken. Boos zweet. Ik dacht: Ik hoor dit nog een tijdje aan, en als het niet verandert zeg ik er wat van.

Een Marokkaan gooide er nog een schepje bovenop. Hij stelde dat de Joden er op uit waren alle arabieren met wortel en tak te vernietigen. ‘We zouden het hier over cultuur hebben!’ mopperde een meneer in het publiek. Ik wilde bijna applaudisseren.  ‘Precies!’ riep de Marokkaanse jongeman. ‘De joden helpen de Arabische cultuur om zeep!’

Ik wist me van verveling geen raad meer. Ik hoorde Russen tegen Tsjetsjenen uitvaren, ik hoorde uiteraard ook Palestijnen tegen Israëliërs te keer gaan en ik had nog even de illusie dat er iemand op zou staan die zei: ‘als we het nou gewoon over kunst gaan hebben, als we met elkaar tot een nieuwe, even globalistische als individuele kunstuitingen kunnen komen, als we, net als bij de wetenschap, door samenwerking en geïnspireerde wedijver tot nóg mooier en beter in staat zijn – zouden dan  al die diepe regionale conflicten niet eens kunnen ophouden?’ Maar die hoop gaf ik op, toen iemand zei: ‘We hebben het hier wel over cultuur, ja? Niet over kunst of zo, want dat begrijpt toch niemand.’

Toen na de pauze dansende derwisjen optraden, zat de zaal nog maar voor een kwart vol. Ik liet me meevoeren in de trance, mijn gedachten werden mild en vloeibaar.  Ik koester weinig illusies over rol van de kunst voor de wereldvrede, maar ik heb een pesthekel aan dat politieke gezeik, de verbale versie van nationalistisch vlaggengezwaai. En ik weet dat dit een vrij land is, dat ieder het recht heeft te zwaaien met wat -ie maar wil, maar ik heb het recht me er kapot aan te ergeren. En om daarna mijn schouder op te halen. Dit is nu eenmaal de wereld waarin we leven.