Waarschuwingsdrama

De Oplossing? is een film uit de jaren ’80 die ons wilde waarschuwen tegen het fascisme. Dat was een nobel doel, maar ik begin me af te vragen of het wel mogelijk is om ons voor zoiets te waarschuwen, althans in een invoelbare, meeslepende dramatische vorm. (En niet in de vorm van speeches vol profetisch doemdenken of in de vorm van satire) De gruwelen van de nazitijd kon men pas echt goed dramatiseren nadat het allemaal al was gebeurd. Dat is niet zo vreemd. Er gaat tijd overheen voordat gebeurtenissen zich kunnen vormen tot verhalen. Tijdens de nazitijd was hooguit satire mogelijk als kunstvorm om je direct tegen de dagelijkse gebeurtenissen te wapenen, maar satire moet zich beperken tot het ontmaskeren van domheid. Daar kom je een heel end mee, maar nooit ver genoeg. Pas ná de verschrikkelijke gebeurtenissen kon men er dramatisch iets mee. Dus ik denk dat een poging om het publiek te waarschuwen tegen, zeg, Wilders, of de klimaatverandering, of de agressieve overname van ons land door islamisten – in mijn kunstvorm tot mislukken gedoemd is.

Rechtbankdrama’s

Vlak na elkaar zag ik  De Tokyo Trial en The people vs O.J.Simpson. Allebei rechtbankdrama’s, allebei op Netflix en allebei op hun eigen manier goed. Eén ding hebben ze zeker gemeen en dat is het thema van onzekerheid in het rechtspreken. Het Tokyo-verhaal, op een mooie, stijve, Hollandse manier gefilmd, wat het ongemak van onze eigen rechter Röling benadrukt, zien we de mogelijke kans op een zuivere stellingname tussen ‘goed’ en ‘fout’ voor onze ogen wegrotten. Want het is moreel gezien erg lastig om de (gruwelijke) oorlogsmisdaden uit naam van een heel volk te veroordelen. Een heel volk dat ooit nog eens twee atoombommen op z’n kop kreeg. Veroordeel je ze omdat ze zich niet aan de oorlogsethiek hebben gehouden (wat dat ook is) of veroordeel je ze eigenlijk omdat ze de oorlog hebben verloren? Het andere verhaal gaat over wat er gebeurt met waarheidsvinding als een vreselijk moordgeval, een familiedrama, een politieke zaak wordt. Het laatste verhaal wordt swingend en uitbundig verteld. Je zou willen dat er meer geld was om om onze eigen verhalen met grotere productionele mogelijkheden te vertellen, want die zijn de moeite waard. We hebben Fortuyn, we hebben de ‘politionele acties’, we hebben Han van Meegeren, we hebben de gaswinning – honderden thema’s, hete hangijzers, die schreeuwen om een dramatische interpretatie. Soms toont zich in de beperking de meester maar wat zou het heerlijk zijn eens goed uit te pakken.

Rechts

Ik zou best eens lekker rechts willen zijn. Een beetje op de manier van Hermans en Reve. En Céline. Even niet dat gezapige, betuttelende, saaie, iedereengelijkige, compromisserige, oerbrave – maar het feest van de individualiteit, van het genie, van de grootheid. Als een razende neger in Braafland zou ik een spoor van vernielingen willen achterlaten, dingen zeggen die je eigenlijk niet hoort te zeggen, dingen doen die je eigenlijk niet hoort te doen, weg willen vagen waar ik last van heb overmatig prijzen waar ik baat bij heb – voornamelijk mijzelf, ik zou tegelijkertijd volks en elitair willen zijn, groots en rommelig leven — Maar ben bang dat ik het talent er niet voor heb en ik vind het zo zielig voor mijn slachtoffers. En voor het milieu.

Tegels lichten

Ik lees Tegels lichten van H.J.A. Hofland. Trots zijn op Nederland was in de jaren na de oorlog voor het grootste deel een kwestie van niet kijken wat er echt aan de hand is. We konden onze overzeese gebiedsdelen niet meer veroorloven, maar een politicus die dat zou zeggen lag er meteen uit. De pers was totaal niet kritisch, want vertellen hoe het echt zat, daar kwam maar gedonder van. Klokkenluiders werden de mond gesnoerd. Waarschuwingen uit het buitenland in de wind geslagen.Nederland wilde alleen maar horen dat alles zou blijven zoals het leek. Dat is de tijd waaraan wordt gerefereerd als de goede tijd, waar we trots op moeten zijn, toen alles nog was zoals het hoorde. Leuk boekje. Uit 1972. De taal van tegenwoordig is wat minder wollig dan destijds, maar politiek blijft een kwestie van wegkijken van wat er werkelijk aan de hand is – globalisering, opwarming, een imploderend geloof in het kapitalisme – en om het onvermogen hier iets mee te doen te verdoezelen, is er een overmaat aan aandacht voor randverschijnselen als moraal, Islam, (nationale) identiteit en Zwarte Piet.

Reactiebubbel.

16299336_10154967742388200_5838022719637433509_nIk was net even op bezoek bij de rechtse internetbubbel. Want je moet toch alle kanten van het meningenspectrum leren kennen. Hier een kort verslag: Ze denken dat we gutmenschen zijn die de wereld naar de klote helpen en ze zijn daar heel blij dat er eindelijk eens wat verandert in de wereld, dat het nu hun beurt is, en dat het goed is dat wij op onze lazer krijgen en weldra moeten tandenknarsen in de diepste kerkers om wat wij de wereld hebben aangedaan. Ze bedienen zich van leugens, vonden dat ik mijn bek moest houden en moest luisteren naar wat zij voor waar hielden. Ik ben blij dat ik terug ben in mijn eigen bubbel. Je krijgt bijkans uitslag van die rechtse internetbubbel. Hu.

Bullshitdetector

De truc om in de bullshitstorm van feiten en nepfeiten een weg te vinden is volgens mij de volgende:
1 – Je gaat te rade bij je eigen oordeel. Maar dat oordeel moet gevoed worden door informatie van de juiste bronnen en het discours van mensen die je verstandig acht. En daar zit ‘m de kneep. Het is geen kwestie van zekerheid. Het is voor een groot deel een kwestie van vertrouwen.
2 – geloof niets van bronnen die je niet vertrouwt. Nul. Zelfs al blijken er een paar feiten wel te kloppen.
3 – hecht wél geloof aan bronnen die je wél vertrouwt. Maar niet onvoorwaardelijk, je eigen vertrouwde bronnen kunnen het ook wel eens mis hebben. Als dat zo is:
4 – laat het falsificeren van bronnen die je wél vertrouwt over aan bronnen die je óók vertrouwt. Niet aan tegenstanders.

Stel je raakt in gesprek met iemand die beweert: ‘UFO’s bestaan, we worden in de gaten gehouden door entiteiten van andere beschavingen, alleen wordt dat door het linkse tuig van de overheid onder de pet gehouden.’ Dan kun je zeggen: ‘Sorry, maar dat geloof ik toch echt niet.’ Wat geen goede reactie is, overigens. Je kunt beter zeggen: ‘zeg wat zit je haar leuk, naar welke kapper ga je?’ – maar soms trap je er in en bevind je je midden in zo’n gesprek. En dan zegt je gesprekspartner: ‘Ik kan je zo honderd dikke boeken laten zien, die glashelder aantonen dat de boel hier vergeven is van UFO’s! Al die boeken, die kunnen het toch niet verkeerd hebben?!’ Je vermijdt de grap: Als die boeken de objecten identifyen, hoe kunnen het dan un-identified objects zijn?, maar je zegt: ‘Volgens mij is in het verleden al afdoende aangetoond dat het bestaan van die objecten niet bewezen kan worden, dus in mijn wereld bestaan ze niet, tenzij iemand of een groep mensen aan wie ik waarde hecht van inzicht veranderen. Als je wil kan ik dagen lang besteden aan een onderzoek waarmee ik aantoon dat UFO’s niet bestaan, maar aangezien ik denk dat je me desondanks toch niet zult geloven, is dat verspilde moeite en ik heb er ook helemaal geen zin in ook.’ Je gesprekspartner zal dan zeggen: ‘Aha, je duwt je kop in het zand voor de waarheid, net als die anderen.’ Jij zegt: ‘Misschien. Ik vertrouw op mijn oordeel, die alleen te weerleggen is door oordelen vanuit mijn eigen kring – mijn kranten, mijn columnisten, mensen waarvan ik denk dat ze er verstand van hebben. Ik weet, jij doet dat op jouw manier ook en ik vrees dat we elkaar op dit gebied waarschijnlijk niet tegemoet zullen komen.’ De ander zal zeggen: ‘Ik weet wel zeker van niet.’ Waarop jij weer kunt zeggen: ‘Maar we kunnen natuurlijk wel even gaan dansen.’

Reactionairen

Volgens mij zit het zo. Het is maar mijn mening en ik denk ook niet dat -ie zo origineel is, maar ik denk dat wat zich nu als een rechtse revolutie laat aanzien, iets heel anders is. Ik probeerde te bedenken wat de voedingsbodem is van deze woede, die heeft geleid tot Brexit, Trump, de opkomst van de heer Wilders. Ik zocht niet naar economische, militaire, moralistische een politieke oorzaken. Ik ben toneelschrijver en zocht vooral naar het onderliggende gevoel. En dat is het gevoel dat er Iets Uit Handen Is Genomen. Er is een grote groep mensen, uit alle lagen van de bevolking, die om de een of andere reden niet mee wensen doen met ontwikkelingen die toch gebeuren. Bijvoorbeeld de man-vrouw verhoudingen. Steeds meer vrouwen bekleden functies die vroeger vanzelfsprekend door mannen zijn vervuld. Een crimineel staat voor een vrouwelijke rechter. Er zijn gezinnen waarbij de vrouwen werken, status hebben, en mannen niet. Dat geeft een gevoel van verlies. Dat wat nooit zou gebeuren, de orde die onveranderlijk leek, voltrekt zich nu toch. Hetzelfde geldt voor het idee dat mensen uit andere culturen de status krijgen, zelfs burgemeester worden, die voor de meeste van de traditionele bevolking onbereikbaar zijn. Eén berichtje over de huisvesting van een ‘nieuwe nederlander’, waar een ‘oude nederlander’ jarenlang op een huis moet wachten en de razernij is compleet. Maar ook de leiders van de grote oude industrie, de mastodonten van de oude industrieel revolutie: De olie-industrie. Langzamerhand vindt men andere energiebronnen, of men wil of niet, de olie wordt goedkoper, ooit machtige mannen voelen nu dat de bodem onder hun bestaan wegvalt. Het accepteren van een ecologische kijk op de mens in verhouding met de rest van de natuur in plaats van het denkbeeld dat de natuur er alleen voor het welbevinden van de mens is en anders bestreden moet worden, is ook een verandering die nu zo immanent is, dat die voor velen onverdraaglijk is. Hetzelfde geldt voor landsgrenzen en het relatieve superioriteitsgevoel dat binnen die grenzen gecultiveerd kan worden. Dat is zonder die grenzen een stuk moeilijker. Statusverlies. ‘verlies van soevereiniteit’. Ik vind het belangrijk te vertellen dat de oorzaken van al deze ontwikkelingen niet politiek of ideologisch zijn. Als altijd in de geschiedenis zijn het de uitvindingen die de staat van de mensen hebben veranderd. Er wordt niets uitgevonden om een toestand te verslechteren. Zelfs van de atoombom moest op een -weliswaar verknipte- manier de vooruitgang dienen. Belangrijker dan innovaties op wapengebied zijn die op het gebied van landbouw, communicatie, transport en gezondheid: innovaties waarbij steeds minder mensen voor steeds meer mensen kunnen zorgen, innovaties waarbij steeds meer mensen gezonder oud worden, door anticonceptie over hun eigen leven kunnen beschikken. Innovaties waarbij steeds grotere delen van de wereld makkelijk bereikbaar zijn. Eigenlijk hoeven we steeds minder te werken, is werk een schaars goed aan het worden en betekent werk statusverlies. Het begrip ‘werk creëren’, wat de overheid moet doen, suggereert al dat er werk verzonnen moet worden om de mensen rustig te houden.
De grote veranderingen pakken niet voor iedereen positief uit. Want stel je voor. Je werk wordt je uit handen genomen, een Turk woont naast je en heeft een duurdere auto, je vrouw verdient meer dan jij en als je uit verveling naar de kroeg gaat mag je er niet eens meer een peuk op steken. Met Sinterklaas pakken ze je Zwarte Piet af en als je door de stad loopt moet je je best doen om één zin Nederlands te horen. Dat is om razend van te worden. Van deze razernij valt blijkbaar politiek te maken. Er ontstaan elites die meer op de veranderingen zijn toegesneden, oude elites verdwijnen – maar weigeren zich vooralsnog onbetuigd te laten. Er wordt een waardenpatroon geschapen die de waarden van vóór de grote uitvindingen idealiseren, maar doordat zij zelf al gebruik maken van die ontwikkelingen, de twitterende populistenleiders, zien we dat ze in feite machteloos staan. Dit lijkt het momentum van rechts te zijn, maar het is het opflakkeren van een vlam voordat die uitdooft.
Het betekent trouwens niet dat er ongevaarlijke tijden aanbreken. Het gevecht zal nog hard en gemeen kunnen worden, en we zullen moeten blijven staan voor een zekere waardigheid, maar het is als op een zeilschip, waarvan de bemanning met elkaar slaags is geraakt: uiteindelijk hebben de golven en de stromingen en de wind het voor het zeggen.

Aristocraten

Laatst sprak ik met iemand over William Burroughs. Een man die volop dope gebruikte, maar niet mee ging in het hippie-gedoe er omheen. Een schrijver van het soort moderniteit dat je nu niet meer tegenkomt én een man met oerconservatieve denkbeelden. ‘Dit is een Aristocraat,’ beweerde mijn gesprekspartner met bewondering.

Ik bladerde wat in de boeken van Céline, met zijn verheven gevloek en gemopper, zeer xenofoob hier en daar en uiterst rechts. Hij beeldde zichzelf het liefst af als een als gevolg van zijn eigen principes tot armoe vervallen verschoppeling, maar die wel het recht op recht aan zijn kant heeft. Ik denk: Ook dat is een aristocraat.  Zoals ook Nabokov en Gombrowicz (Die waren het overigens echt).

Het is een eigen, soevereine manier van denken, die geen tegenspraak duldt. Een volstrekt individualisme, dat zich door niets van de wijs laat brengen. En laten we eerlijk zijn – dat heeft wel wat.

Aristocratie is een bestuursvorm, waarbij een deskundige en bevoorrechte elite de dienst uitmaakt. Plato was daar vóór, want voor iedereen is nu eenmaal een rol weggelegd in het leven. Democratie vond hij een gruwel (als je het aan het janhagel over laat krijgen de schurken het binnen de kortste keren voor het zeggen en zitten de onderzoekers, de filosofen, de dichters en de vaklui in de bajes). Nu is de aristocratie jarenlang in onze contreien en ver daarom heen de enige regeringsvorm geweest, tot die elite aan wereldvreemdheid ten onder ging.

Ik zelf ben geen aristocraat, want ik vind dat talent uit alle lagen en gezindten van de bevolking voor kan komen en dat ieder het recht moet hebben te doen waar hij goed in is. Ik behoor toe aan de saaie gezellige linkse intellectuele bubbel. Maar bekijken we het lijstje van kunstenaars die een aristocratische, soevereine levenshouding hebben, dan zijn dat toch niet de minste. Ik doe een lijstje van de eerste namen die in me opkomen. Behalve die ik al heb genoemd zijn dat:

W.F. Hermans, Willem Oltmans, François Mitterand, Willem-Alexander, Gerrit Komrij, Bas Heijne, Frits Bolkestein, Ollie B. Bommel, Oblomov, Dostojevski, Tolstoj, Friedrich Nietzsche, Goethe, Mélanie Schultz-van Haegen, Neelie Kroes, Bram Peper, Willem Mengelberg, Ayn Rand, Alexander Pechtold, Winston Churchill, Barack Obama…

Mannen en vrouwen, politici van links tot rechts, soms heel aardige mensen, vaak getalenteerd en zowel  veracht en geprezen. Maar altijd uitgesproken en altijd uitgaande van een zekere verhevenheid. Het zit er allemaal tussen.  Wie voor mijn gevoel géén aristocraten zijn is net zo’n gek lijstje:

Louis-Paul Boon, Hugo Claus, Spinoza, Karl Marx, Freddy Heineken, Anton Philips, Angela Merkel, Donald Trump, Geert Wilders,  Moeder Theresa, Karel Appel, Lucebert, Emile Roemer, Frank Zappa, Jaap van Zweden, Máxima, Mark Rutte, Donald Duck,  Kamagurka, Jezus Christus, Dizzy Gillespie, Linda de Mol.

In het laatste lijstje zitten populisten (die hebben géén aristocratische houding hoewel de aristocraat wel handig gebruik kan maken van het populisme.)De industriëlen en maatschappelijke draufgänger reken ik ook niet tot de aristocratie, die zich immers verzet tegen maatschappelijke mobiliteit.  Er zitten uiteraard ook zeer sociaal bewogen mensen, tussen, mensen die zichzelf opofferen voor mensen die het slechter hebben. Maar een gemeenschappelijke deler is misschien dat zij van het Laatste Lijstje zich níet verheven voelen boven de rest van de mensheid.

Ik sluit niet uit dat sommige namen ooit van het ene naar het andere lijstje kunnen springen, zodra ik meer over die personen weet. Ik weet zeker dat sommige lezers het totaal niet eens zijn met deze indeling. Het is niet zo dat ik het ene goed vind, en het andere slecht. Wel dat je, kijk je vanuit de ogen van een aristocraat, een heel andere wereld ziet dan als je uit de ogen van een niet-aristocraat kijkt.

 

Kwaad Grond

Toen ik voor het eerst de opdracht kreeg een toneelstuk te schrijven, schreef ik ‘Kwaad Grond’. In mei 1984 ging het stuk in premiere. Ik was vijfentwintig jaar. Ik vond Samuel Beckett mooi, en Wolfgang Borchert, Draussen for der Tür, ik vond de stukken van Brecht mooi, ik hield ook wel van Edward Albee, al deed dat me denken aan deftige toneelspelers waar ik niet zo van hield, ik zag de eerste stukken van Hauser Orkater, die me in eerste instantie vooral verleidden het heel anders te doen, ik hield van het sentimentele volkstoneel, maar ook van dat stuk waarin een vrouw in een berg zand tegen haar man praat, die ook in een berg zand begraven is. Ik las de Griekse tragedies, maar hield meestal niet van de manier waarop ze werden uitgevoerd. Oedipus vond ik knap gedaan, Medea verpletterde me omdat Euripides zo lekker grillig schreef. Die zinnen beschreven geen situatie, maar ze raasden als laserstralen door een lichaam dat in zo’n situatie zat. Ik ben altijd een luie, eclectische lezer geweest, maar mijn voorkeur ging altijd uit naar werk dat ik nét niet helemaal begreep. Toen ik de opdracht kreeg om het stuk te schrijven had ik dus de hele toneelliteratuur op mijn nek zitten. En ik wilde een stuk schrijven dat anders was dan alle andere. Ik bedacht me dat dat stuk dus totaal en brutaal met mezelf te maken moest hebben, want van mij is er maar éen. (In dit stuk komt irritant vaak het woord ik voor, maar dat komt omdat ik het onderwerp is. Over andere onderwerpen heb ik weinig te melden). Maandenlang zocht ik naar een thema en een onderwerp. Dat viel me niet mee. Alles is al eens gedaan. Ik las nog meer toneelstukken, Tsjechov, Ibsen, Shakespeare. Van de laatste vond ik De Storm bijzonder. Het meest ondoorgrondelijke stuk. Er hoorde muziek in en de teksten kwamen op me over als toverformules. Ik dacht aan een gedicht van Koos Schuur – Zonenlied: ‘Mijn vader riep mij om een stuiter, een stoter, een vogel van niets.’ Zonder dat ik in staat was het voor mezelf te formuleren wilde ik een theatervoorstelling, waarin beelden, scenes, ritmische zinnen, verhalen, muziek en beweging met elkaar iets zouden oproepen. Ik kon alles wat ik wilde, bewust of onbewust, niet goed bij elkaar krijgen. De acteur Wilbert Gieske zei: ‘Je zoekt naar een anekdote.’ – Maar ik vond geen anekdote. Ik bladerde op een zeker moment in een sprookjesboek uit de bibliotheek, een boek met volksverhalen en vond toen het verhaal van De heks van het Oerd, een Amelands volksverhaal, dat elementen bevatte van Odysseia (het strand) Medea (de razernij), The Tempest (De storm) en een aantal bijzondere beelden (een stormlamp, vastgebonden aan de hoorn van een koe, en met een ander touw vastgemaakt aan een poot, waardoor het licht zwaaide alsof het door een mens werd vastgehouden.) Dan was er nog het noodlottige gegeven van de vrouw, die, razend op de zee omdat ook haar liefste zoon de zee koos en haar alleen achter liet, met deze lampentruc schepen liet stranden, waarna ze brullend de aangespoelde scheepsladingen roofde… totdat in die noodlottige storm haar eigen zoon aanspoelde. Ik koos dit verhaal tot mijn anekdote. Wat ik niet wilde was dat verhaal van begin tot eind op het toneel te zetten, want dan zou je niet meer dan een kindervoorstelling overhouden. Wat ik wel deed was een paar monologen schrijven voor die vrouw, zonder te weten hoe die in een voorstelling zouden passen. Veel later, toen ik weer eens vast zat, maakte ik een tekening. Het moest te maken hebben met het verhaal, maar ik mocht geen van de elementen logisch en anekdotisch benaderen. Dus ik tekende een strand. Ik tekende een vrouw op een schommel. Een omgekeerd bootje. Een oberkelner met een dienblad en daarop het hoofd van een dode koe. Een klein kind dat in het zand speelt. Dat werd mijn synopsis.  Ik stelde me voor dat onder dat bootje twee figuren zaten die te bang waren om onder dat bootje tevoorschijn te komen. Ik stelde me die vrouw razend en tierend voor, en die ober, die in plaats van de wijnkaart het noodlot aanprees. Voor de mannen onder het bootje schreef ik flarden van gruwelverhalen en in zichzelf verstrikt rakende filosofische charades, voor het kind schreef ik kindergedichtjes en optelversjes, en voor de ober vage formules. Ik schreef ook veel rotzooi, dat er uitzag als ouderwets toneel, en waarvan ik het meeste schrapte. Het leidde tot een stapel papier, ik leverde het in, het gezelschap zag er wel wat in – tot mijn verbazing – ik kreeg er negenduizend gulden voor en het werd uitgevoerd in mei 1986. En ik moest zelf de ober spelen, anders werd het te duur. Het publiek vond het wel wat. Het zaaltje was steeds uitverkocht. Het was dan ook wel een bijzondere gebeurtenis. Geheimzinnige livemuziek, een decor dat bestond uit veel zand, een duikplank, inderdaad een schommel, een gedichten opzeggend kind en vooral een straal zand dat gedurende de hele voorstelling van boven naar beneden sijpelde, langzaamaan een berg vormend. De koeienschedel was kunstig en realistisch van piepschuim gemaakt. Een acteur, gekleed in een kostuum dat deed denken aan een Japanse ridder, vertelde, balancerend op de duikplank een verhaal waarmee hij zichzelf schrik aanjaagt. Van het anekdotische van het verhaal was weinig overgebleven, maar dat stond in het programmablaadje dat het publiek bij aanvang kreeg aangereikt. Men vond het mooi of durfde niet te zeggen dat het niks was.  Een aantal mensen die ik waardeerde vonden het niks en dat kwam hard aan. Maar de recensie kopte: ‘Veldman haalt de eeuwigheid naar het toneel’. Niet onverdienstelijk al met al.  Na de laatste voorstelling vond ik dat ik, wilde ik doorgaan met toneelschrijven, een beter begrip moest krijgen van de dramaturgie van het toneel. Er was niets te vinden op dat gebied, behalve enkele zware Duitse boeken en het boek ‘The art of dramatic writing; van Lajos Egri. De Duitse boeken analyseerden alles kapot en dat boek van Egri besteedde de helft van de tijd aan het uitleggen waarom Romeo de hoofdpersoon is van Romeo en Julia. Maar in de loop der jaren leerdi ik toch het een en ander, vooral door veel toneelstukken te lezen en films te zien. Met het toenemen van mijn kennis op het gebied van dramaturgie verloor ik het zicht een beetje op mijn eigen wereld en mijn eigen fascinaties. Ik begon steeds meer te denken in termen van ‘zo hoort het’ in plaats van ‘dat lijkt me geweldig!’ – Wat uiteindelijk wat meer vakwerk opleverde, maar ik verloor ook iets. Mijn laatste voorstelling nu, ruim dertig jaar later, is een bewerking van de Jungleboeken van Kipling. Het werd verteld in dans en muziek en een rapper. Voor hem schreef ik teksten die deden denken aan het ritmische getier en geschreeuw van de heks van het Oerd. Alle anekdotiek is uit de voorstelling gehaald, alles dat deed denken aan een toneelscene werd geschrapt, omdat het nu eenmaal een dansvoorstelling was. Beelden, zinnen, muziek, gebeurtenissen. Dat deed me denken aan mijn eerste stuk.  Iets in mij vraagt zich nu af: zou ik niet weer eens een ‘Kwaad Grond’ moeten maken, een stuk dat zichzelf loszingt van de anekdote, van de actualiteit van de krant en goed vallende thematiek, maar dat veel meer refereert aan de duistere verhalen van de geest, de kilte, de ongezellige kant van het bestaan. Een stuk met een eigen symboliek, een stuk dat niet per sé communiceert met onwilligen, dat meer de lijnen van muziek en dromen volgt, dan de logica van de anekdote. Laten we zien of dat lukt.