Aristocraten

Laatst sprak ik met iemand over William Burroughs. Een man die volop dope gebruikte, maar niet mee ging in het hippie-gedoe er omheen. Een schrijver van het soort moderniteit dat je nu niet meer tegenkomt én een man met oerconservatieve denkbeelden. ‘Dit is een Aristocraat,’ beweerde mijn gesprekspartner met bewondering.

Ik bladerde wat in de boeken van Céline, met zijn verheven gevloek en gemopper, zeer xenofoob hier en daar en uiterst rechts. Hij beeldde zichzelf het liefst af als een als gevolg van zijn eigen principes tot armoe vervallen verschoppeling, maar die wel het recht op recht aan zijn kant heeft. Ik denk: Ook dat is een aristocraat.  Zoals ook Nabokov en Gombrowicz (Die waren het overigens echt).

Het is een eigen, soevereine manier van denken, die geen tegenspraak duldt. Een volstrekt individualisme, dat zich door niets van de wijs laat brengen. En laten we eerlijk zijn – dat heeft wel wat.

Aristocratie is een bestuursvorm, waarbij een deskundige en bevoorrechte elite de dienst uitmaakt. Plato was daar vóór, want voor iedereen is nu eenmaal een rol weggelegd in het leven. Democratie vond hij een gruwel (als je het aan het janhagel over laat krijgen de schurken het binnen de kortste keren voor het zeggen en zitten de onderzoekers, de filosofen, de dichters en de vaklui in de bajes). Nu is de aristocratie jarenlang in onze contreien en ver daarom heen de enige regeringsvorm geweest, tot die elite aan wereldvreemdheid ten onder ging.

Ik zelf ben geen aristocraat, want ik vind dat talent uit alle lagen en gezindten van de bevolking voor kan komen en dat ieder het recht moet hebben te doen waar hij goed in is. Ik behoor toe aan de saaie gezellige linkse intellectuele bubbel. Maar bekijken we het lijstje van kunstenaars die een aristocratische, soevereine levenshouding hebben, dan zijn dat toch niet de minste. Ik doe een lijstje van de eerste namen die in me opkomen. Behalve die ik al heb genoemd zijn dat:

W.F. Hermans, Willem Oltmans, François Mitterand, Willem-Alexander, Gerrit Komrij, Bas Heijne, Frits Bolkestein, Ollie B. Bommel, Oblomov, Dostojevski, Tolstoj, Friedrich Nietzsche, Goethe, Mélanie Schultz-van Haegen, Neelie Kroes, Bram Peper, Willem Mengelberg, Ayn Rand, Alexander Pechtold, Winston Churchill, Barack Obama…

Mannen en vrouwen, politici van links tot rechts, soms heel aardige mensen, vaak getalenteerd en zowel  veracht en geprezen. Maar altijd uitgesproken en altijd uitgaande van een zekere verhevenheid. Het zit er allemaal tussen.  Wie voor mijn gevoel géén aristocraten zijn is net zo’n gek lijstje:

Louis-Paul Boon, Hugo Claus, Spinoza, Karl Marx, Freddy Heineken, Anton Philips, Angela Merkel, Donald Trump, Geert Wilders,  Moeder Theresa, Karel Appel, Lucebert, Emile Roemer, Frank Zappa, Jaap van Zweden, Máxima, Mark Rutte, Donald Duck,  Kamagurka, Jezus Christus, Dizzy Gillespie, Linda de Mol.

In het laatste lijstje zitten populisten (die hebben géén aristocratische houding hoewel de aristocraat wel handig gebruik kan maken van het populisme.)De industriëlen en maatschappelijke draufgänger reken ik ook niet tot de aristocratie, die zich immers verzet tegen maatschappelijke mobiliteit.  Er zitten uiteraard ook zeer sociaal bewogen mensen, tussen, mensen die zichzelf opofferen voor mensen die het slechter hebben. Maar een gemeenschappelijke deler is misschien dat zij van het Laatste Lijstje zich níet verheven voelen boven de rest van de mensheid.

Ik sluit niet uit dat sommige namen ooit van het ene naar het andere lijstje kunnen springen, zodra ik meer over die personen weet. Ik weet zeker dat sommige lezers het totaal niet eens zijn met deze indeling. Het is niet zo dat ik het ene goed vind, en het andere slecht. Wel dat je, kijk je vanuit de ogen van een aristocraat, een heel andere wereld ziet dan als je uit de ogen van een niet-aristocraat kijkt.

 

Kwaad Grond

Toen ik voor het eerst de opdracht kreeg een toneelstuk te schrijven, schreef ik ‘Kwaad Grond’. In mei 1984 ging het stuk in premiere. Ik was vijfentwintig jaar. Ik vond Samuel Beckett mooi, en Wolfgang Borchert, Draussen for der Tür, ik vond de stukken van Brecht mooi, ik hield ook wel van Edward Albee, al deed dat me denken aan deftige toneelspelers waar ik niet zo van hield, ik zag de eerste stukken van Hauser Orkater, die me in eerste instantie vooral verleidden het heel anders te doen, ik hield van het sentimentele volkstoneel, maar ook van dat stuk waarin een vrouw in een berg zand tegen haar man praat, die ook in een berg zand begraven is. Ik las de Griekse tragedies, maar hield meestal niet van de manier waarop ze werden uitgevoerd. Oedipus vond ik knap gedaan, Medea verpletterde me omdat Euripides zo lekker grillig schreef. Die zinnen beschreven geen situatie, maar ze raasden als laserstralen door een lichaam dat in zo’n situatie zat. Ik ben altijd een luie, eclectische lezer geweest, maar mijn voorkeur ging altijd uit naar werk dat ik nét niet helemaal begreep. Toen ik de opdracht kreeg om het stuk te schrijven had ik dus de hele toneelliteratuur op mijn nek zitten. En ik wilde een stuk schrijven dat anders was dan alle andere. Ik bedacht me dat dat stuk dus totaal en brutaal met mezelf te maken moest hebben, want van mij is er maar éen. (In dit stuk komt irritant vaak het woord ik voor, maar dat komt omdat ik het onderwerp is. Over andere onderwerpen heb ik weinig te melden). Maandenlang zocht ik naar een thema en een onderwerp. Dat viel me niet mee. Alles is al eens gedaan. Ik las nog meer toneelstukken, Tsjechov, Ibsen, Shakespeare. Van de laatste vond ik De Storm bijzonder. Het meest ondoorgrondelijke stuk. Er hoorde muziek in en de teksten kwamen op me over als toverformules. Ik dacht aan een gedicht van Koos Schuur – Zonenlied: ‘Mijn vader riep mij om een stuiter, een stoter, een vogel van niets.’ Zonder dat ik in staat was het voor mezelf te formuleren wilde ik een theatervoorstelling, waarin beelden, scenes, ritmische zinnen, verhalen, muziek en beweging met elkaar iets zouden oproepen. Ik kon alles wat ik wilde, bewust of onbewust, niet goed bij elkaar krijgen. De acteur Wilbert Gieske zei: ‘Je zoekt naar een anekdote.’ – Maar ik vond geen anekdote. Ik bladerde op een zeker moment in een sprookjesboek uit de bibliotheek, een boek met volksverhalen en vond toen het verhaal van De heks van het Oerd, een Amelands volksverhaal, dat elementen bevatte van Odysseia (het strand) Medea (de razernij), The Tempest (De storm) en een aantal bijzondere beelden (een stormlamp, vastgebonden aan de hoorn van een koe, en met een ander touw vastgemaakt aan een poot, waardoor het licht zwaaide alsof het door een mens werd vastgehouden.) Dan was er nog het noodlottige gegeven van de vrouw, die, razend op de zee omdat ook haar liefste zoon de zee koos en haar alleen achter liet, met deze lampentruc schepen liet stranden, waarna ze brullend de aangespoelde scheepsladingen roofde… totdat in die noodlottige storm haar eigen zoon aanspoelde. Ik koos dit verhaal tot mijn anekdote. Wat ik niet wilde was dat verhaal van begin tot eind op het toneel te zetten, want dan zou je niet meer dan een kindervoorstelling overhouden. Wat ik wel deed was een paar monologen schrijven voor die vrouw, zonder te weten hoe die in een voorstelling zouden passen. Veel later, toen ik weer eens vast zat, maakte ik een tekening. Het moest te maken hebben met het verhaal, maar ik mocht geen van de elementen logisch en anekdotisch benaderen. Dus ik tekende een strand. Ik tekende een vrouw op een schommel. Een omgekeerd bootje. Een oberkelner met een dienblad en daarop het hoofd van een dode koe. Een klein kind dat in het zand speelt. Dat werd mijn synopsis.  Ik stelde me voor dat onder dat bootje twee figuren zaten die te bang waren om onder dat bootje tevoorschijn te komen. Ik stelde me die vrouw razend en tierend voor, en die ober, die in plaats van de wijnkaart het noodlot aanprees. Voor de mannen onder het bootje schreef ik flarden van gruwelverhalen en in zichzelf verstrikt rakende filosofische charades, voor het kind schreef ik kindergedichtjes en optelversjes, en voor de ober vage formules. Ik schreef ook veel rotzooi, dat er uitzag als ouderwets toneel, en waarvan ik het meeste schrapte. Het leidde tot een stapel papier, ik leverde het in, het gezelschap zag er wel wat in – tot mijn verbazing – ik kreeg er negenduizend gulden voor en het werd uitgevoerd in mei 1986. En ik moest zelf de ober spelen, anders werd het te duur. Het publiek vond het wel wat. Het zaaltje was steeds uitverkocht. Het was dan ook wel een bijzondere gebeurtenis. Geheimzinnige livemuziek, een decor dat bestond uit veel zand, een duikplank, inderdaad een schommel, een gedichten opzeggend kind en vooral een straal zand dat gedurende de hele voorstelling van boven naar beneden sijpelde, langzaamaan een berg vormend. De koeienschedel was kunstig en realistisch van piepschuim gemaakt. Een acteur, gekleed in een kostuum dat deed denken aan een Japanse ridder, vertelde, balancerend op de duikplank een verhaal waarmee hij zichzelf schrik aanjaagt. Van het anekdotische van het verhaal was weinig overgebleven, maar dat stond in het programmablaadje dat het publiek bij aanvang kreeg aangereikt. Men vond het mooi of durfde niet te zeggen dat het niks was.  Een aantal mensen die ik waardeerde vonden het niks en dat kwam hard aan. Maar de recensie kopte: ‘Veldman haalt de eeuwigheid naar het toneel’. Niet onverdienstelijk al met al.  Na de laatste voorstelling vond ik dat ik, wilde ik doorgaan met toneelschrijven, een beter begrip moest krijgen van de dramaturgie van het toneel. Er was niets te vinden op dat gebied, behalve enkele zware Duitse boeken en het boek ‘The art of dramatic writing; van Lajos Egri. De Duitse boeken analyseerden alles kapot en dat boek van Egri besteedde de helft van de tijd aan het uitleggen waarom Romeo de hoofdpersoon is van Romeo en Julia. Maar in de loop der jaren leerdi ik toch het een en ander, vooral door veel toneelstukken te lezen en films te zien. Met het toenemen van mijn kennis op het gebied van dramaturgie verloor ik het zicht een beetje op mijn eigen wereld en mijn eigen fascinaties. Ik begon steeds meer te denken in termen van ‘zo hoort het’ in plaats van ‘dat lijkt me geweldig!’ – Wat uiteindelijk wat meer vakwerk opleverde, maar ik verloor ook iets. Mijn laatste voorstelling nu, ruim dertig jaar later, is een bewerking van de Jungleboeken van Kipling. Het werd verteld in dans en muziek en een rapper. Voor hem schreef ik teksten die deden denken aan het ritmische getier en geschreeuw van de heks van het Oerd. Alle anekdotiek is uit de voorstelling gehaald, alles dat deed denken aan een toneelscene werd geschrapt, omdat het nu eenmaal een dansvoorstelling was. Beelden, zinnen, muziek, gebeurtenissen. Dat deed me denken aan mijn eerste stuk.  Iets in mij vraagt zich nu af: zou ik niet weer eens een ‘Kwaad Grond’ moeten maken, een stuk dat zichzelf loszingt van de anekdote, van de actualiteit van de krant en goed vallende thematiek, maar dat veel meer refereert aan de duistere verhalen van de geest, de kilte, de ongezellige kant van het bestaan. Een stuk met een eigen symboliek, een stuk dat niet per sé communiceert met onwilligen, dat meer de lijnen van muziek en dromen volgt, dan de logica van de anekdote. Laten we zien of dat lukt.

Er is maar één verhaal.

Ik wil dit blog voornamelijk gebruiken voor dramaturgische en verhaaltheorieën. Ik deel wat ik er over tegenkom in de sociale media en doe bij voorkeur minder aan meningen.

Dit filmpje gaat uit van de theorieën van Joseph Campbell, een theoloog die ontdekte dat alle mythen (plots) hetzelfde patroon volgen. Je ziet dan ook dat de zoetste Disney-film en de duisterste Reis naar het Einde van de Nacht min of meer dezelfde weg afleggen. De Rus Vladimir Propp kwam overigens al eerder tot soortgelijke bevindingen.

Meestal wordt de film Star Wars als voorbeeld aangehaald: alle stappen van de held-mythe worden in deze films doorlopen. Wat niet verwonderlijk is, omdat Joseph Campbell zelf bij de ontwikkeling van dit verhaal is betrokken.

Dit te weten, over reizen, tegenstanders, wachters en godinnen, maakt het schrijven overigens niet per definitie makkelijker. Iedere tijd, iedere kunstenaars blaast op eigen wijze dit standaardverhaal onvervangbaar nieuw leven in.

Ironie

Het filmpje hier gaat over ironie. Ik doe nogal veel aan ironie; het idee om hele erge dingen als een stomme grap te beschouwen houdt me iets meer overeind dan diezelfde hele erge dingen als heel erg te beschouwen. Maar David Foster Wallace vind -althans volgens dit filmpje – dat een verwerpelijke levenshouding, zeker in de kunst. Of, zoals in dit filmpje genoemde voorbeelden, de comedy. ‘Seinfeld’ is volgens dit filmpje een cynische, afstandelijke, postmodernistische rot-serie en ‘The Partridge Family’, en andere comedyseries die vaak eindigen in een ‘groep-hug’ zijn goed. Ik word altijd een beetje misselijk als ik een groep-hug zie. In plaats van een zichzelf relativerende ironie zou je sincerity, oprechtheid moeten nastreven. Wel humor, maar dan afgewisseld met ontroering en sentimentaliteit.
Volgens mij hebben de Amerikanen nooit iets van de échte romantiek begrepen. Dat je kunt lachen in plaats van huilen. Dat humor een geweldig middel is om pijn, leegte en eenzaamheid te verbeelden. De Amerikanen hebben niets met Heinrich Heine, laat staan onze eigen Gerard Reve. Ik wed dat de Amerikanen Moby Dick totaal anders lezen dan ik. Ik vind het boek nog net te pruimen vanwege al die groteske stompzinnigheden, maar de Amerikanen nemen het allemaal bloedserieus.
Rond de laatste eeuwwisseling was er in de amerikaanse film en televisie even ruimte voor deze romantische ironie, die hier als postmodern wordt omschreven. (American beauty, Donnie Darko, six feet under) Maar daarna sluit het gordijn weer en ‘hugt’ de hele familie elkaar weer nadat de misverstanden uit de weg zijn geruimd. Bwaaagh…
In alle ernst, zonder te zeggen ‘nou is ironie weer niet goed’, hoe staan jullie er in? Vinden jullie ‘ironie’ ook zo verwerpelijk, zoals David Foster Wallace volgens dit filmpje zou beweren?

Mythen

citroen_ds_front_20080126Vroeger dacht iedereen dat de aarde plat was (er zijn er nog steeds een paar die dat denken),  dat Jezus waarlijk is opgestaan (daar heb je nog steeds een behoorlijk aantal van) en dat Zeus zichzelf in een stier veranderde, en daarna, in de gedaante van een adelaar Europa verkrachtte in een wilgenbosje naast een bron. (Tegenwoordig zijn er niet veel mensen meer die dat geloven.) Destijds wisten de mensen niet dat het maar ‘mythen’ waren. Ze dachten gewoon dat het waar was. Dat wil niet zeggen dat we tegenwoordig van mythen verlost zijn. Waarschijnlijkheden we er nu minstens zo veel, alleen kunnen we ze niet zo goed zien.

De filosoof Roland Barthes, van wie ik nu een boekje lees om intellectueel over te komen, legt het mooi uit. In de jaren ’50 schreef hij elke maand een artikel over wat hij beschouwde als een mythe van zijn tijd. Op die manier ontmaskerde hij een dichteres van negen jaar, die toen wereldberoemd was omdat ze maar negen was en al echte gedichten schreef,  hij ontmaskerde biefstuk met frieten, ‘Lieve Lita’-achtige rubrieken en de nieuwe Citroën DS. Zijn verklaring voor hoe deze moderne mythen werken vind ik interessant.  Een mythe werkt niet met feiten, maar met afspraken. We hoeven niet te weten dat het zo is, we spreken áf dat het zo is. Dat kan ook niet anders, we kunnen niet van alles nagaan of het waar is. We hebben aan een kleutertekeningetje van een boom genoeg om te weten dat het een boom is. We hoeven geen echte boom te zien om ons een boom voor te stellen. Sterker nog, we hoeven alleen maar de letters b-o-o-m  achter elkaar te lezen en we zien het ding al voor ons. Dat doen we met bomen, dan doen we ook met moeilijkere dingen zoals leven en dood, gevaar en voorspoed. En daar is dus ruimte voor onzin, vervalsing, propaganda, reclame en andere hyperbolen.

Mythes laten zich niet allemaal makkelijk ontmaskeren. Als je in een links denkraam zit, kun je de mythen van rechts makkelijk ontmaskeren: Immigratie uit arme landen is een gevaar voor onze samenleving, drugs zijn het grote gevaar en moeten met het grootste geweld worden bestreden, belasting is slecht voor de economie, cultuursubsidie is per definitie weggegooid geld. Als je in een rechts denkraam zit, kun je de linkse mythen makkelijker ontmaskeren: vertrouwen op weldenkendheid, redelijkheid en solidariteit.  Dat het Kapitaal het grote kwaad is. Dat iedereen biologisch-dynamisch moet eten. Dat de klimaatverandering de schuld is van het kapitaal. Het is voor mij  tekenend dat ik meer moeite heb met het opsommen van linkse mythen dan van rechtse mythen. Ik probeer beide te zien en te ontmaskeren, maar het valt me niet mee. Overigens, waarschijnlijk is het hele idee van links-rechts een mythe.

Als er iets duidelijk wordt uit dat boekje van Barthes, dan is het wel dat mythen tijdelijk zijn, althans in hun uitingsvorm. De Citroën DS is qua mythe al lang vervangen door de iPhone. Het automodel (als uiting van de moderne tijd en de toekomst) wordt nu hooguit uit speelse nostalgie vereerd, zoals de stoomtrein en koken op petroleum.  Maar nu is het mijn eigen iPhoontje, waarvan ik denk dat die me in contact houdt met de huidige tijd en het idee van onsterfelijkheid verleent. De uitingsvormen blijven nog een tijdje bestaan als curiosa, maar worden eigenlijk een beetje absurd. De eierkoeken van Sonja Bakker. Het acht uur journaal. Zwarte Piet als onschuldig fenomeen natuurlijk. En, ik haat het te zeggen, het bestaan van schouwburgen.

Een stervende mythe is die van een toekomst vol morgenrood, met vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ooit verving die voor een deel de mythe van de hemel en het paradijs. De liefdesmythe (vrijheid, gelijkheid enz)  deed het in de vorige eeuw nog best, maar die  is vervangen door de mythe van uitvindingen en technologie. ‘Straks kunnen robots voor ons werken en computers voor ons denken en dat is heerlijk!’ —   Als ik mijn redenering doortrek zal ook díe mythe aan zijn einde komen en vervangen worden door iets anders misschien wel door iets waar de kiem al onder ons aanwezig is. En dat is lullig, maar op een vreemde manier misschien ook troostrijk.

 

 

Twee rollen

The Zoo Story
The Zoo Story

In The Zoo Story van Edward Albee, zijn eerste toneelstuk, ontmoeten twee mannen elkaar op een bankje in het Central Park. Ik ben wel eens in het Central Park geweest en alles wat er over wordt gezegd, zelfs de grootste onzin,  klopt. Maar goed. Een aardige intellectueel probeert op dat bankje de chique New York Times te lezen en hij wordt aangesproken door een man uit het volk, die om een praatje verlegen zit. De man uit het volk ventileert zijn twijfelachtige normen en waarden, zijn verhalen, waaruit een grote verongelijktheid spreekt, is hartstochtelijk in alles, waar de brave intellectueel geen weerwoord op heeft. Het eind is (spoiler) dat de brave intellectueel, met al zijn pacifisme en rationalisme,  de man van het volk dood schiet. My Dinner with André (André Gregory en Wallace Shawn) vertelt het verhaal van twee mannen in een restaurant, die elkaar verhalen vertellen. Eentje heeft geluk in het leven gehad – is beroemd regisseur en acteur geworden, en de ander een ploeterend acteurtje die zich niet thuis voelt in dat deftige restaurant. De rijke man vertelt verhalen over alle reizen en meditatiecursussen in zijn leven, de kleine acteur kan alleen maar antwoorden met verhalen over mensen bij hem in de buurt. De wasserij, de winkel op de hoek, zijn huwelijksproblemen — wie verdient onze bewondering en wie verdient onze sympathie? Ik hou wel van dit soort stukken. Ik noem ze ‘talking heads’, een scheldwoord voor mensen die geloven in ‘show, don’t tell’ – en daardoor een geuzennaam. Ik denk echt dat je werelden vol chaos en poëzie, waarheid en leugens – de illusie van leven kunt oproepen door middel van de conversatie. Bij Plato, in Symposion, zie je al dat een botsing van meningen aan een tafel levendiger,  interessanter en spannender kan zijn dan een oorlogsverslag. ‘Fragmenten’ is een stuk van onder andere Jeroen van den Berg, deels in het Nederlands en in het Engels geschreven. Twee mannen proberen op hun manier de horizon te interpreteren die zij voor zich zien. Ze proberen het met elkaar eens te zijn, maar zelfs de horizon is voor ieder weer anders. Ik denk dat ik een stuk zou willen schrijven over twee gitaarspelenden mannen.

Michel

12189089_10206874709038822_8807548573900404480_n

Klein fotootje, maar als je goed kijkt zie je als tweede figuur mijn personage Doeke Zandman, gespeeld door Michel van Dousselaere. Vandaag kocht ik De Volkskrant en daarin stond een drie pagina’s lang artikel over hem. Hij lijdt aan een soort dementie, die zijn taalvermogen ruïneert. Het begon er al mee dat hij geen teksten meer kan onthouden en het gaat gestaag een kant op waarop hij geen woord meer kan uitbrengen. Natuurlijk schrik ik van dit nieuws. Het is al een ramp als je als acteur de taal verliest, maar bij een taalgenieter als Michel is dat helemaal verschrikkelijk. Het Land Achter de Slaap was de tweede voorstelling die ik had geschreven waarvoor ik betaald werd. De acteurs lazen het op het moment dat ik nog heftig met het einde zat te worstelen. Niemand nam me dat kwalijk. Michel was zelfs heel genereus. Met zijn stevigheid, en zijn uitbundigheid stak hij zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. Het stuk ging over de wens een liefde te vergeten en de ondankbare taak van een clownesk figuur, die dromend in de droom van Doeke Zandman verzeild is geraakt, het een en ander recht te zetten. Michel begon het dadelijk over Max Frisch te hebben, de Zwitserse auteur die voortdurend zijn eigen ervaringen analyseert en altijd uitkomt op vervreemding en latent geweld. ‘Het gaat over vergeten, al of niet expres, wie je bent,’ vertelde Michel. ‘Neem bijvoorbeeld Stiller. Meneer White in wordt opgepakt  als ene Stiller op verdenking van spionage, maar hij is Stiller niet. Althans dat zegt hij. Om vrij te kunnen komen uit de gevangenis gaat hij onderzoeken wie die Stiller dan wél is. Hij identificeert zich met hem en wordt zelfs verliefd op zijn vrouw. Op het laatst weet je niet meer of hij nou White of Stiller is. Die namen zijn ook zo goed gekozen!’ En dan ging het weer over Gantenbein. ‘Ongelofelijk! Dat gaat over een man die blind is, en als hij getuige is van de moord op zijn eigen vriendin weet hij niet of hij zijn fake-blindheid moet verraden!’ – In hoeverre het werk van Max Frisch met mijn eigen werk te maken heeft weet ik niet, maar Michel heeft me wel warm gekregen voor een soort literatuur dat ik daarvoor nog niet had gelezen. Ik kende natuurlijk wel Biedermann und die Brandstifter, over een man, een fatsoensrakker,  die terroristen op zolder heeft wonen, en uit angst hun terroristische daden keer op keer vergoelijkt. Al hebben we elkaar meer dan twintig (misschien wel dertig) jaar niet gezien, ik ben blij hem te kennen, deelgenoot te zijn geweest van zijn fascinaties en zijn stijl van leven en acteren en vind het spijtig dat het nu zo met hem gaat. Voor de volledigheid: vlnr Kees Wennekendonk, Michel van Dousselaere, Jonna Coolen en Jacqueline Kapteyn.

 

Briljant

Sinds regisseurs de belangrijkste auteurs zijn van toneelstukken, dient de schrijver zich verre te houden van regieaanwijzingen. ‘We maken zelf wel uit of we een acteur van links naar rechts of van rechts naar links laten lopen,’ zeggen ze. En daar hebben ze gelijk in. Maar toch, omdat ook het beeld  deel van de vertelling uitmaakt moet je als schrijver kunnen aangeven wat de sfeer is je voor ogen staat. In amateuristische toneelstukken zijn de eerste aanwijzingen, voor de dialoog begint, meestal van organisatorische aard. Links een deur naar de keuken, rechts een deur naar de slaapkamer. Op de achterwand tuindeuren die leiden naar een tuin.’ Dat soort werk. Maar nu lees ik de eerste zin van de regieaanwijzing van Oscar Wilde in An Ideal husband, en het is meteen een zin die je, alsof je door een raket bent afgeschoten,  binnen in de wereld van zijn verhaal brengt. Die meteen de sfeer oproept, met de mensen die we zullen zien, de avond die we zullen beleven. Een heerlijke rake zin.  Je zult geen van de acteurs die zin horen zeggen, maar je zult hem voelen door alle poriën die bij een goed kunstwerk open staan. In het decor, in de manier van spelen, in het licht, in het geluid, in de subtekst, in de programmaboekjes … Het roept feest op en tegelijk een voorafschaduwing van verval en decadentie.

De zin luidt: The room is brilliantly lighted.

En dan een dialoog van mooie vrouwen, op zoek naar mooie rijke kerels: ‘I should have some serieus purpose in life. So I come here to try to find one.’ – De ander kijkt rond en zegt: ‘I don’t see anybody here tonight whom  one could possibly call a serious purpose. The man who took me in to dinner talked to me about his wife the whole time.’

En dat allemaal brilliantly lighted!

Theaterfestival

Drie jaar geleden was ik bij het Theaterfestival. Ik houd me bezig met de vraag of theater ‘actueel’ moet zijn.

Nederlands Theater Festival: Orlando. Van Het Toneelhuis. Sommige voorstellingen confronteren, andere ontmaskeren, weer anders stellen iets aan de kaak – deze voorstelling doet dat allemaal niet. De roman van Virginia Woolf wordt gewoon verteld door de zachte, vriendelijke stem van Kathelijne Damen. Sleept ons mee in een sprookjesachtige, taalzwangere fantasie van een vrouw, die, blijkt, heftig lijdt aan de tijd. Het verleden als een beeldschone roman, het heden als een vuile, smerige heksenketel. Geen voorstelling waarbij revoluties zullen uitbreken of kabinetten door gaan vallen. 

Daarna liep ik de drukke stad in. De zomer is afgelopen. De jas moet weer aan. Het is begonnen te regenen.

Ook zag ik een voorstelling van Sarah Kane, een schrijfster die veel Nederlandse toneelschrijvers heeft geïnspireerd.

Nederlands Theaterfestival: Psychosis 4.48. Het laatste stuk van Sarah Kane over haar eigen, op handen zijnde zelfmoord. Een monoloog. Het stuk begint met: ‘Ik heb er geen zin meer in. Was ik maar dood. Ik wil niemand zien. Ik doe alles verkeerd. Als ik ga slapen hoop ik dat ik niet wakker word.’ En het eindigt, zoals te verwachten, met ‘eindelijk rust’. Daartussen ontstaat een zo sombere sfeer dat ieder grapje welkom is. Het personage wordt verliefd op haar therapeut, die als enige vriendelijk tegen haar heeft gedaan. Als de therapeut zegt dat hij niet verliefd op haar is, wordt de eindfase van de wanhoop ingezet.

Destijds schreef ik:

Ik hou niet van stukken over wanhoop. Ik wil niet meer weten hoe slecht we er aan toe zijn. Ik weet het al. Je krijgt er goeie literatuur van, maar ik heb er gewoon even geen zin in.

-Maar dat zegt meer over mij, toen, dan over het stuk en de uitvoering. Die was indrukwekkend.

 

 

Soprano’s

De afgelopen weken ‘The Soprano’s’ nog eens helemaal ge’binged’. Alle seizoenen. Van fade-in tot de laatste, dramatische fade to black. De eerste van een soort tv-series dat mensen avonden- en nachtenlang aan het scherm gekluisterd hield: ‘Vooruit, nog één aflevering dan…’ Ik genoot van de verhaallijnen maar nog meer van de zwier waarin de scènes aan elkaar werden geschakeld. Vrij losjes, a-chronologisch – iedere scene was een soort sketch over het karakter van een personage, of over een moeilijke relatie, of over een onderhandeling en soms een stukje rauw geweld. ‘The Soprano’s’ liet me op een andere manier naar mijn eigen werk kijken en is zeker van invloed geweest op de manier waarop ik de serie ‘Boven Wotter’ schreef.

Maar is het bijna tien jaar na de laatste aflevering nog steeds leuk?

Veel vondsten zijn inmiddels gemeengoed geworden. De cinematografische, ‘europese’ introducties, de langzame ontwikkeling van de personages, meer focking straattaal. Nu is het genre van de langlopende serie al zo ver doorontwikkeld, dat je eigenlijk kunt zeggen dat het z’n beste tijd heeft gehad.Het geld heeft het weer overgenomen van de lust om eens  iets anders te vertellen. In het begin was het voor de makers op een houtje bijten: er was maar twee miljoen per aflevering beschikbaar. (Daar maken wij hier overigens zes series van). De serie  dreef op de creativiteit van de makers en de ambitie van de vrij onbekende acteurs. Er werd behoorlijk wat risico genomen, maar dat was mogelijk omdat er niet zo veel geld verloren was als het mis ging. Maar in dit unieke geval ging het niet mis. Zo hoefden de acteurs niet mooi te zijn en niet jong en aantrekkelijk. Zo kon een dikke man sexy worden. Zo konden ze experimenteren met de muziek en met literaire en cinematografische verwijzingen. Het was fun. En ik zag het er nog steeds aan af.

Een verhaal is niet het leven zelf, zei Robert McKee, maar een metafoor voor het leven. Zo is het. Bij de opkomst van Tony Soprano hoort hoogmoed en dan ondergang. Het echte leven is grilliger, betekenislozer en stompzinniger. Hoewel. Het eind van de personages blijkt zich op de een of andere manier door te zetten in de acteurs. Jim Gandolfini, die Tony Soprano weergaloos speelde, overleed een paar jaar geleden tijdens zijn vakantie in Rome aan een hartaanval. Hij had pas zijn eerste grijze haren. Carmela, Edie Falco, heeft in nog wat goeie series gespeeld, maar kampt nu met borstkanker. Jamie-Lyn Sigler, die Meadows speelde lijdt aan MS en Robert Iler, de verwende zoon Anthony Junior, is aan lager wal geraakt. Als je met die wetenschap de serie weer bekijkt, krijgt alles nog veel meer diepte.