Hennis

Denkt aan mevrouw Hennis. En aan de kleurrijke manier waarop zij een tijdje geleden in de Tweede Kamer werd afgebrand. Er kwam zelfs een kleine verkleding aan te pas. Iedereen, kamerbreed, mocht zijn puntjes halen voor eigen publiek. En wat stonden ze allemaal aan de goede kant en wat waren ze welbespraakt! Ik probeerde het woord hypocriet te onderdrukken, vooral omdat het zo’n lelijk woord is. Twee jonge militairen worden met ondeugdelijk materiaal eropuit gestuurd. Dat spul is ondeugdelijk omdat het leger geen budget heeft om een deuk in een pakje boter te slaan. Daar gebeurt dan vroeg of laat een ongeluk mee, dat is onvermijdelijk. De minister heeft dingen nagelaten die ze had kunnen doen, maar je kan met behoud van feiten ook zeggen dat ze dingen wel heeft gedaan die blijkbaar niet hebben gewerkt. Bovendien zit ze in een spagaat. De minister is er om het leger én de overheid te verdedigen. En als je het ene verdedigt, krijg je op je kop van het andere. Het is een situatie die je met geen mogelijkheid goed kunt doen. Begrijp me goed, ik vind het altijd leuk als er weer een VVD-minister de fout in gaat, maar deze keer moest ik harder lachen om de kolderieke, pompeuze en heilige verontwaardiging van mensen die het in dezelfde positie niet beter zouden doen. En het zijn natuurlijk leuke scenes.

Pretmoordenaar

Die massaschietpartij van die oude, rijke pretmoordenaar in Las Vegas. Ondanks de hoeveelheid slachtoffers zullen we over vijf jaar ons best moeten doen om ons te herinneren wat dat ook alweer was. Dat komt omdat het vaker gaat gebeuren. Bill O’Reilly, de schreeuwlelijk die zo kon schreeuwen, dat hij een tijdje geleden zelfs bij een populaire schreeuwzender is ontslagen, zei het eigenlijk heel goed. ‘Massabeschietingen’ zei hij, ‘is de prijs voor de Amerikaanse Vrijheid.’ Zo is het. Al zou ik het woord vrijheid vervangen door ‘mentaliteit’. De knoop in het hoofd van de meeste Amerikanen, van links tot rechts, zit hem in het geloof in de superkracht van de persoonlijke soevereiniteit. Omdat ik ik ben, ben ik geweldig. Dat is de onderliggende boodschap van de meeste reclames en de meeste films. Dat geloof botst met de werkelijkheid, waar tegenslag, regeltjes, afhankelijkheid en zachte krachten hun frustrerende rol spelen. Sommigen worden daar compleet gestoord van, voelen zich in het nauw gedreven door de spoken die ze uit woede zelf hebben gecreëerd, en vechten zich een weg naar hun eigen vrijheid. Voeg daarbij de mogelijkheid om makkelijk aan wapens te komen en het is niet zo gek dat een man, die zo gewoon en normaal leek, een grandioos en bloederig slotakkoord aan zijn leven maakt. Misschien heeft hij een paar minuten de vrijheid gevoeld die hij een groot deel van zijn leven nastreefde. Misschien ook sluimerde daartussenin ook de gedachte dat ook dat gevoel fake was. Want er is geen enkel gevoel onverdund.

iHo

Ik was in de stadsschouwburg in Amsterdam . Zag een voorstelling van Oostpool. Het stuk was van Tony Kushner en had een heel lange titel. Het was ook een heel lang stuk en in de stroom heftig uitgesproken conversaties werd heel vaak het woord ‘omdat’ gebruikt. Omdat jij dit en dat en zus en zo bent. Omdat ik vroeger. Omdat je je weer niet in kon houden. Omdat je zo nodig zelfmoord wilde plegen. Omdat ik dacht dat je van me hield. Ze liepen allemaal op blote voeten, geen idee waarom, waarschijnlijk om het smetteloze decor niet te besmeuren. Of alle vloeren in New York hebben vloerverwarming. Veel relatieproblemen van het type waarvan je denkt: wat heb ik daar mee te schaften en een beetje humor werd bereikt door het delibereren van beschaafde grofheden. Opeens viel er een rood doek uit de trekken. God weet waarom.

Ik ben in de pauze naar de trein gewandeld en lees nu het honderd keer betere stuk van Tony Kushner: Angels in America.

Kleine zielen

Ik keek naar Toneelgroep Amsterdam, Kleine zielen. Regie van Ivo van Hove. Die Couperus was toch wel behoorlijk geniaal. De Haagse romans zijn van zichzelf al moderne tragedies. Een goede tragedie zegt altijd iets anders, afhankelijk van de tijd waarin het wordt vertoond. Nu bijvoorbeeld kun je het verhaal van De boeken der kleine zielen lezen als dat van een oude, gehospitaliseerde elite dat dringend aan vervanging toe is door een nieuwe (nauwelijks betere) elite. Het stuk wordt gespeeld op een gigantisch, prachtig tapijt, omringd door stellages die op de Pier van Scheveningen lijken en grote groene planten. Veel mooie en diepzinnige monologen van de acteurs; de personages spreken het diepste van hun ziel uit, en hier en daar een stuk dialoog. De zaal zat vol, maar om me heen werd verschrikkelijk gegeeuwd. Vooral door jongere mensen. De hypnotiserende muziek van Harry de Wit was daar ook debet aan, maar ook, en dat realiseerde ik me onderweg – het publiek pikt de afwezigheid van de dramatische vorm niet meer. Ik geniet nog best wel van de stijl en de klasse van Toneelgroep Amsterdam, maar ik vraag me af of de volgende generaties dat nog doen. En zo zag ik bij het publiek zich iets afspelen dat ook op het toneel werd vertoond. Bob Dylan zong het al. De tijden zijn aan het veranderen.

Episch

masks

 

Om van (recente) geschiedenis en politiek een goed werkend toneelstuk te maken, wordt vaak gebruik gemaakt van de epische vorm. Dat wil zeggen: er is een vertelinstantie, een of meer personages die het woord rechtstreeks tot het publiek richten, afgewisseld met korte scènetjes, waarin de acteurs voor de duur van de scene even in een personage schieten. Een beetje zoals de Griekse tragedies. De kunst van het epische theater is om, ondanks de afstandelijke verteller, het publiek emotioneel te raken. Voordeel is de artistieke mogelijkheid om het over een lange tijdsperiode te hebben. Je kunt je moeiteloos sprongen van van weken, maanden en jaren veroorloven. Je kunt je verteller doodeenvoudig laten zeggen: ‘Maar een maand later vond ineens dit gesprek plaats…’ Daartegenover is er weer weinig ruimte voor psychologische fijngevoeligheden.

Ik lees Stuff Happens van David Hare. Het verhaal over de angstaanjagend dubieuze oorsprong van de Amerikaanse inval op Irak in 2003. (Na de aanslagen op de Twin Towers op 11 november 2001 door Al Queda, willen hardliners als Donald Rumsfeld liever Saddam Hoessein in Irak met veel militair machtsvertoon verslaan, dan de werkelijke schurk vinden. Om zoveel mogelijk medestanders te krijgen moet bewijs worden gefabriceerd, de waarheid geweld aan worden gedaan en spierballendiplomatie worden gebruikt. Dit lukt helaas, met een verwijdering tussen de VS en Europa in de VN tot gevolg, en natuurlijk onnoemelijk veel slachtoffers.) Wat dit stuk spannend maakt is het personage van Colin Powell, de eerste zwarte minister van buitenlandse zaken. Het algemeen politieke moet persoonlijk worden. We zien Powell de beweging maken. De geknakte ruggengraat. Van standvastig afstand nemen van de onzinnige en ongefundeerde plannen een land binnen te vallen tot aan publiekelijk non-bewijzen aanvoeren als excuus om toch oorlog te kunnen voeren. Dit verhaal werkt, vooral om de in eenvoudige monologen in de vorm van getuigenissen van boze journalisten en slachtoffers knalhard binnen te laten komen en het publiek tevreden om het verhaal maar verontrust om de inhoud naar huis te sturen. De scenes zijn er om woede, angst en medelijden te genereren. En soms een welkome lach.

Zo keek ik naar Het Pauperparadijs van Tom de Ket. Ieder stuk over vroeger gaat over nu. Je wil niet vertellen over hoe de dingen vroeger waren, je wil laten zien welke mechanismen van vandaag de dag ook toen al werkten, om duidelijk te maken hoe oneerlijk de politiek kan zijn en hoe blind voor de realiteit. Ook hier wordt een grote tijdsspanne beschreven – ongeveer 25 jaar, ook hier een verteller en acteurs die meerdere personages spelen. De waarden die in dit stuk worden belicht zijn idealisme en statusbehoud. Over het verhaal kan ik verder niks kwijt, dat is zonde, maar ik kan je wel vertellen dat het werkt. Het feit dat het grote publiek zich werkelijk liet meeslepen laat zien dat de vorm van het epische theater zeker niet dood is. Het is een uitgesproken vorm om de grote gebeurtenissen waar we mee te maken krijgen in een groter perspectief te plaatsen, op een manier de even urgent aanvoelt als het nieuws van de dag. Het is heel wat moeilijker om dat te bereiken in een andere kunstvorm. Ik denk zelfs dat het epische theater in een aantal opzichten effectiever is dan onderzoeksjournalistiek.

Geen Paniek

image10

Las net een slechte recensie over ‘Noises Off’ van Michael Frayn. (Nu speelt het als zomervoorstelling in het Nieuwe De La Mar, als altijd met Tjitske Reidinga en Peter Blok onder de naam Geen Paniek!) Oubollig vond de Volkskrantrecensent. Oubollig en platvloers. Ja, wat had je gedacht! Het is een klucht! Twee focking sterretjes van de vijf. Kom me niet aan ‘Noises off’ van Michael Frayn! Het is een briljant stuk; een klucht van het hoogste niveau, waarin het leven achter de coulissen een grotere klucht is dan dat wat ‘onstage’ gebeurt. Eerst zie je wat er op het toneel plaatsvindt, er gebeuren wat onverklaarbare dingen, daarna wordt de tijd teruggezet naar het begin en zie je alles achter het decor. En zie je wat die onverklaarbare dingen heeft veroorzaakt. t Is een standaardwerk voor ieder die het genre meester wil worden. Alles grijpt ingenieus in elkaar. De recensent gaf toe wel te hebben gelachen, maar dat was uit medelijden. John Cleese zei eens over Fawlty Towers: ‘De humor van de komedies in die tijd zat hem in snuggerheid en snedigheid van de dialogen. Eerst zegt de een een snuggere zin, daarna de ander. Ik vind er niks aan. Dus kozen we voor de fysieke humor van de slapstick, de klucht, zonder dat er zo nodig een diepere betekenis in te leggen.’

Orton

24_play1_new

Joe Orton is het bekendst vanwege zijn spectaculaire dood. Augustus 1967, op de christusjonge leeftijd van 33 jaar, is hij tijdens zijn slaap met een hamer doodgeslagen door zijn partner Kenneth Halliwell, met wie hij op een klein kutkamertje woonde. Over de hele kwestie is een film gemaakt – Prick up your ears.

Feydeau schreeft bizarre, cynische kluchten over een hypocriete hogere middenklasse, Oscar Wilde schreef elegante komedies over verborgen identiteit in de hogere kringen en Orton schreef zwarte kluchten over de misdadigheid, roof- en moordzucht bij alledaagse mensen. De humor bij Orton zit hem niet zozeer in een paar bizarre handelingen – er wordt in het stuk Loot (Poet) wat met een lijk heen en weer gesjouwd. Iets wat later door de Fawlty Towers-aflevering The kipper and the corpse is overtroffen.
Nee, de kracht bij Orton zit hem in de dialogen. De personages zijn zo slecht, dat ze geen enkele moeite doen hun bedoelingen verhullen, zelfs al krijgen ze de kans. Fay, van de thuiszorg, en Harold, de zoon van de moeder die ligt opgebaard, hebben een ernstig gesprek.

Fay: Ga zitten Harold, we moeten even praten. De pastoor van St Kilda heeft me gevraagd het over het een en ander te hebben. Hij maakt zich ernstige zorgen. Hij zegt dat je je geruime tijd bezighoudt met het beroven van gok-apparaten en parkeermeters en met het ontmaagden van dochters van mannen die beter zijn dan jij. Klopt dat?
Harold: Ja.
Fay: En dat zelfs leden van je eigen geslacht niet veilig zijn voor je schurkenstreken. Vader Mac is bedreven in het verdrijven van zonden, maar aan het wegpoetsen van die van jou heeft hij een dagtaak. Wat ben je van plan te doen aan deze afschuwelijke gang van zaken?
Hal: Ik ga het land uit.
Fay: Maar hoe moet dat dan met jou als je oud bent?
Hal: Dan ga ik dood.

De thuiszorg zelf is ook geen beste. Ook zij verhult nauwelijks haar diepere bedoelingen ten overstaan van de pas-bestorven weduwnaar.

Fay: Heeft u al een een tweede huwelijk gedacht?
Vader: Nee.
Fay: Waarom niet.
Vader: Ik heb het te druk met de begrafenis.
Fay: U moet iemand hebben om de plaats van uw vrouw in te nemen. Zij was ook niet perfect.
Vader: Een tweede vrouw is voor mij fysiek onmogelijk.
Fay: Onzin. Mijn laatste echtgenoot van zestig slaagde met vlag en wimpel. Drie dagen na ons trouwen kwam hij tot buitengewone prestaties. U zou een meisje moeten trouwen met jeugd en vitaliteit. Iemand met een standvastige houding ten opzichte van het Geloof. Met haar laatste adem twijfelde uw vrouw aan de waarachtigheid van van de Bijbel. Wat is dat dan voor een vrouw? Waar heeft u haar opgedaan?
Vader: Op een informele bijeenkomst, geleid door een Benedictijnse monnik.
Fay: Deed ze zich voor als katholiek.
Vader: Ja.
Fay: Bedrieglijk van aard, zoveel is zeker. Dit mag niet weer gebeuren. Ik zoek voor u een goede jonge vrouw. Ik breng haar naar u toe, ik stel haar aan u voor. Ik zie haar helemaal voor me – gemiddelde lengte, sluik, mooi haar. Regelmatig bezoekster van bepaalde plekken des geloofs. En een ex-lid van het Legioen van Maria.
Vader: Iemand zoals u zelf?
Fay: Precies. Wees bewust van uw mogelijkheden. Trouw meteen.

In het stuk komt ook een personage voor, die zich gedraagt als een televisie-detective, en zo wordt hij ook door de andere personages gezien, maar in feite is hij alleen maar de wateropnemer. (tot hij tenslotte wordt ‘ontmaskerd’ als inspecteur van scotland yard – een zeer corrupte)

Dit is het soort satire, kluchtigheid en absurditeit dat ik heel leuk vind. Maar als ik een uitvoering zie, in het echt of op YouTube, waar een oude TV-registratie op staat, dan is er ineens weinig te lachen. De acteurs spelen alsof zij de personages niet echt zijn – ze spelen de ironie- en dat geeft de uitvoeringen iets moeilijks, alsof het Pinter is, of Beckett. Dat doet me denken aan een opmerking van wijlen Matthijs Rümke, de regisseur. Hij zei over mijn werk: ‘Jouw werk is zo ontzettend lastig om te regisseren.’
Ik denk dat voor het werk van Joe Orton, op een hoger niveau, hetzelfde geldt.

In de nóg kluchtiger What the butler saw – een titel die vroeger gebruikt als titel voor boekjes met ‘pikante foto’s’ – worden leugens op leugens gestapeld tot een onontwarbare kluwen, als bij een moderne post truth-regering. Geraldine, de onschuldige in dit verhaal praat met Prentice, een oudere arts van het type: ‘kleedt u zich maar helemaal uit’.

Geraldine: Wacht! Er is een oplossing! We moeten de waarheid vertellen!
Prentice: Wat een ontzettend defaitistische houding! – Achter het kamerscherm jij!

Tegenwoordig beoordelen we de kwaliteit van verzonnen personages om hun geloofwaardigheid, of we ons met hun kunnen identificeren, hun kwetsbaarheid en hun lievigheid. Dan is het wel eens een verademing om deze smeerlapperij te lezen van iemand die wat mij betreft wel wat jaren verder had mogen leven.

Stedelijk

ba-2771b

In het Stedelijk Museum van Amsterdam zoek ik  een oude vriend, de Kienholz. Na de verbouwing ben ik niet meer in Het Stedelijk geweest, hoewel ik me herinner dat ik er altijd met een vrolijke opwinding over het Nieuwe vandaan kwam. The Beanery, zoals dit werk van Edward Kienholz eigenlijk heet, is een intallatie, waarin een café in LA precies is nagebouwd, op tweederde grootte, met de stamgasten er in, de krant van vlak voor het uitbreken van de Vietnam-oorlog nog in de krantenbak en een bordje Verboden voor homo’s aan de muur.  Alles overgoten door een waslaag om de tijd te conserveren. Als je op een knopje drukt kun je de stemmen uit 1964 nog horen en kun je de geur nog ruiken, die volgens een speciaal procédé op de ventilator wordt geblazen.

Alles is heel precies en naargeestig, niet in de laatste plaats omdat de gezichten van de stamgasten zijn vervangen door klokken. Amerikanen moeten niet veel van Edward Kienholz hebben. Zij op hun beurt gaan liever naar Amsterdam om de Rembrandt en de Van Gogh te zien.

Ik zoek mijn Kienholz in alle zalen, ik kan hem niet vinden. Hij is weg.

Ook de Barnett Newman (Who is affraid of red, yellow and blue nr 3, het schilderij dat in 1984 met een stanleymes is mishandeld) vind ik niet. Bij kunstwerken is het als met grafstenen van familieleden. Soms wil je gewoon even weten of ze er nog zijn.

Wel zijn er enkele zalen ingeruimd voor een jonge Amerikaanse kunstenaar die zijn lul fotografeert. En een tentoonstelling waarin je de Ed van der Elsken beleving kunt beleven.

Voor een kop koffie moet je buitenom lopen. Kost 2 euro 75.

Ter hoogte van het kitscherige van Gogh Museum maak ik de eerste plannen voor de oprichting van een museum voor kunstwerken die er niet zijn. Ik raak geïnspireerd, heel even borrelt het weer op. De blijdschap om een origineel idee. Een museum met lege muren. In de trein naar huis herinner ik me dat Willem de Ridder dat al eens heeft gedaan. Een audiotour waarmee je met een volledige uitleg naar lege muren staat te kijken. Dat was in het Stedelijk.

Ziel

800x800bb

Ik had ooit een boekje, uitgegeven door een vaag anarchistisch drukkerijtje, dat als titel had: The soul of man under socialism. Het was in 1890 geschreven door Oscar Wilde. Ik ben het boekje kwijt, maar de titel blijft me bij. Van de inhoud van het essay begreep ik niet veel, het was geloof ik dat Kropotkin de nieuwe Christus zou zijn en dat het socialisme het beste in de mens naar boven zou halen, maar ik zag iets anders: hoe gedragen personages zich in een onderscheiden politiek regime, in een bepaald wereldbeeld. The soul of man under Putinism, the soul of man under Trumpism, the soul of man under populist government, the soul of man under global warming. En ineens zie ik mogelijkheden dramatische verhalen te bedenken die een politieke en maatschappelijke lading hebben, zonder dat de personages daar rechtstreeks mee bezig zijn. Neem bijvoorbeeld de opwarming van de aarde. Het meest voor de hand liggende is te vertellen over dijkdoorbraken en mensen die verdrinken. Maar als we ons proberen in te leven in wat de opwarming werkelijk met de mensen doet als we de gevolgen ervan eenmaal gewoon zijn gaan vinden, dan komen we misschien op mooie situaties. Met welke problemen houdt de elite zich dan bezig? (Niet met de opwarming!) Hoe leeft de onderlaag van de bevolking? (Ze schikken zich in hun lot en overgebruik aan drugs wordt oogluikend toegestaan) Hoe vieren ze feest, hoe hebben ze seks, hoe verlopen hun relaties, hoe is hun moraal, wat zijn hun complottheorieën — hoe is hun ziel? Maar niemand maakt een woord vuil over waar het allemaal mee begon. Zelfs de Brexit zal ooit zo normaal worden dat niemand er meer aan denkt en dat niemand op de gedachte zal komen hoezeer dat het lot van de mensen heeft beïnvloed.
Ik hoop het boekje ooit terug te vinden, maar eigenlijk geeft het kennen van de titel al genoeg stof om over na te denken.

Dit is de tekst van het boekje

Realistisch

6536857-p-590_450

 

Ik dacht na over ‘realistische’ en ‘verheven’ dialogen in films en toneelstukken. Realistisch in de zin van er staat wat het betekent. Verheven in de zin van poëtische ruimte.
Toen ik gisteren in een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz zat te bladeren, viel me op dat de personages tot elkaar spreken in de vorm van spreekwoorden en tegeltjeswijsheden. Dat is mooi, want het impliceert dat ze elkaars wijsheden begrijpen en zo spreken ze min of meer indirect met elkaar. Bijvoorbeeld een afscheidsscene:

A: ‘Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.’
B: ‘Een mens moet blijven dromen. Zonder dromen sterf je.’
A: ‘Het is goed om af en toe realistisch te wezen.’
B: ‘Voor de realiteit is tijd genoeg als ik in het graf lig.’

Dit bedacht ik zelf even in de gauwigheid, Kroetz schreef het wat volkser op, zijn personages bestaan uit armoeiige boze burgers. Hier hebben Helmut (een man met één been, verloren tijdens militaire dienst, in vredestijd) en de aardige Christine het met elkaar gedaan in het hooi. Er komt een zwangerschap van. Christine weet niet of ze wel zin heeft in deze vent. Maar Helmut wil wel. Ze zeggen dit:

H: ‘Dit is nou eenmaal het lot, die ken je nou eenmaal niet ontlope.’
C: ‘Maar dat jou dat lot mot treffe, der benne toch ook zoveel andere?’
H: ‘Dat is het lot.’
C: ‘En wat mot ik daar mee?’
H: ‘Een dappere man is beter as geen dappere man.’
C: ‘Ik had liever dat het zoals vroeger was.’
H: ‘Je bent ondankbaar.’

In een ‘realistischer’ dialoog zou je Christine misschien laten zeggen:

‘Ik weet het niet, Helmut. En ik hoop niet dat je het erg vind dat ik het zeg. Maar ik geloof dat ik me een beetje voor je schaam.’
En dan Helmut:
‘Luister, Christine, je hebt het maar te accepteren.’

Deze dialoog leest waarschijnlijk vlotter, dient de informatie meteen op en we kunnen verder.
Maar in de kunst gaat het niet alleen om informatie. Soms gaat het om wat er buiten de informatie gebeurt, en soms gaat het er om wat er overblijft als er géén informatie wordt uitgewisseld.
De ‘realistische’ dialoog maakt ook veel meer gebruik van zinnetjes als ‘Ik weet het niet, Helmut’ en ‘Luister, Christine’ -zinsdelen die bedoeld zijn als cement tussen de blokken feitelijkheden. Op zich betekenen ze weinig, maar laat je ze weg, dan stort de muur in. Vroeger schrapte ik dan dat soort zinnetjes. Het resultaat was dat ik alleen maar personages had die met eenzelfde soort botheid met elkaar spraken.

‘Ik schaam me voor je.’
‘Je hebt het maar te accepteren.’

‘Luister Christine’ en ‘Ik weet het niet Helmut’ heeft de geur van muffe hoorspelen, dus ik zocht iets anders. Ik zocht het meer in muzikaliteit, ritme, klank en herhaling:

‘Nee, wacht, Christine. Luister. Luister… Ik – Moet je luisteren. Wacht. Luister je? Okee. Goed. Kijk me aan. Zie je me? Dit ben ik. Dit is wie ik ben. Ja?’
‘Ja. Maar t is moeilijk. Ik zie je. Maar t is moeilijk.’
(Of zoiets)

Dat heb ik van Heijermans – de terugkomst van de verloren zoon, of, in dit geval, de verloren broer:

‘Wie? … Geért!’
‘Ja. Ik ben ‘t. Nou je mag me wel een poot geve.’
‘Heb je – Heb je moeder al…’
‘Nee. Waar is ze…’
‘Moeder, die… die..’
‘Wat sta je me nou bezopen aan te kijke?

Heijermans was een meester in het verstoppen van informatie. Hij paste ervoor om te schrijven:

‘Nee maar, Geert! Jezus! Wat een verrassing! Ik dacht dat je nog in de gevangenis zou zitten!’

Nooit de woorden zeggen waar het echt om gaat.
Liever lucht en losse kreten dan dat.

De Amerikaanse auteur David Mamet heeft ook zo’n manier van dialoogschrijven: de betekenis haal je uit een herhaling van op zich betekenisloze woorden. In deze scene wil de ene man van de andere man weten of hij ook verliefd op hem is.

‘Alsjeblieft.’
‘Dank je.’
‘Graag gedaan. Wat ben je vanavond van plan?’
‘Je bedoelt nu?’
‘Ja.’
‘Ik dacht- naar huis en wat lezen.’
‘Ah.’
‘Misschien een stukje lopen.’
‘Ah’
‘Waarom vraag je dat?’
‘Nergens om.’
‘Oh.’
‘Gewoon een vraag. Ik vroeg maar wat.’
‘Nou, IK dacht er dus aan om een stukje te lopen.’
‘Mmmm.’
‘Waarom vroeg je me dat?’
‘Nergens om – Tenzij je het leuk lijkt dat we ergens een hapje eten.’
‘Eten? Ik eet nu niet!’
‘Een kop koffie dan.’
‘Ik loop wel een stukje met je op.’
‘Prima.’
‘Goed.’

Lezen (1x) Koffie (1x) Eten (2x) stukje lopen (3x) – Stukje lopen wint! Voor de rest: veel ‘ah’s, ‘Oh’s, en ‘ja’s. Wat er echt gebeurt, gebeurt tussen de regels.
Toen ik het werk van Mamet eind jaren ’80 voor het eerst las ging er een wereld voor me open. Iets zeggen door niets te zeggen! Hoe bestaat het!

Maar ik blijf houden van de Kroetz-taal. Bij Kroetz denk je meer aan een geslaagde popsong. Je begrijpt de zinnen niet in hun letterlijkheid, maar je voelt wel waar ze voor staan en het is dat gevoel, dat een lied, of een toneeldialoog tot iets onvergetelijks kan maken.