Orton

24_play1_new

Joe Orton is het bekendst vanwege zijn spectaculaire dood. Augustus 1967, op de christusjonge leeftijd van 33 jaar, is hij tijdens zijn slaap met een hamer doodgeslagen door zijn partner Kenneth Halliwell, met wie hij op een klein kutkamertje woonde. Over de hele kwestie is een film gemaakt – Prick up your ears.

Feydeau schreeft bizarre, cynische kluchten over een hypocriete hogere middenklasse, Oscar Wilde schreef elegante komedies over verborgen identiteit in de hogere kringen en Orton schreef zwarte kluchten over de misdadigheid, roof- en moordzucht bij alledaagse mensen. De humor bij Orton zit hem niet zozeer in een paar bizarre handelingen – er wordt in het stuk Loot (Poet) wat met een lijk heen en weer gesjouwd. Iets wat later door de Fawlty Towers-aflevering The kipper and the corpse is overtroffen.
Nee, de kracht bij Orton zit hem in de dialogen. De personages zijn zo slecht, dat ze geen enkele moeite doen hun bedoelingen verhullen, zelfs al krijgen ze de kans. Fay, van de thuiszorg, en Harold, de zoon van de moeder die ligt opgebaard, hebben een ernstig gesprek.

Fay: Ga zitten Harold, we moeten even praten. De pastoor van St Kilda heeft me gevraagd het over het een en ander te hebben. Hij maakt zich ernstige zorgen. Hij zegt dat je je geruime tijd bezighoudt met het beroven van gok-apparaten en parkeermeters en met het ontmaagden van dochters van mannen die beter zijn dan jij. Klopt dat?
Harold: Ja.
Fay: En dat zelfs leden van je eigen geslacht niet veilig zijn voor je schurkenstreken. Vader Mac is bedreven in het verdrijven van zonden, maar aan het wegpoetsen van die van jou heeft hij een dagtaak. Wat ben je van plan te doen aan deze afschuwelijke gang van zaken?
Hal: Ik ga het land uit.
Fay: Maar hoe moet dat dan met jou als je oud bent?
Hal: Dan ga ik dood.

De thuiszorg zelf is ook geen beste. Ook zij verhult nauwelijks haar diepere bedoelingen ten overstaan van de pas-bestorven weduwnaar.

Fay: Heeft u al een een tweede huwelijk gedacht?
Vader: Nee.
Fay: Waarom niet.
Vader: Ik heb het te druk met de begrafenis.
Fay: U moet iemand hebben om de plaats van uw vrouw in te nemen. Zij was ook niet perfect.
Vader: Een tweede vrouw is voor mij fysiek onmogelijk.
Fay: Onzin. Mijn laatste echtgenoot van zestig slaagde met vlag en wimpel. Drie dagen na ons trouwen kwam hij tot buitengewone prestaties. U zou een meisje moeten trouwen met jeugd en vitaliteit. Iemand met een standvastige houding ten opzichte van het Geloof. Met haar laatste adem twijfelde uw vrouw aan de waarachtigheid van van de Bijbel. Wat is dat dan voor een vrouw? Waar heeft u haar opgedaan?
Vader: Op een informele bijeenkomst, geleid door een Benedictijnse monnik.
Fay: Deed ze zich voor als katholiek.
Vader: Ja.
Fay: Bedrieglijk van aard, zoveel is zeker. Dit mag niet weer gebeuren. Ik zoek voor u een goede jonge vrouw. Ik breng haar naar u toe, ik stel haar aan u voor. Ik zie haar helemaal voor me – gemiddelde lengte, sluik, mooi haar. Regelmatig bezoekster van bepaalde plekken des geloofs. En een ex-lid van het Legioen van Maria.
Vader: Iemand zoals u zelf?
Fay: Precies. Wees bewust van uw mogelijkheden. Trouw meteen.

In het stuk komt ook een personage voor, die zich gedraagt als een televisie-detective, en zo wordt hij ook door de andere personages gezien, maar in feite is hij alleen maar de wateropnemer. (tot hij tenslotte wordt ‘ontmaskerd’ als inspecteur van scotland yard – een zeer corrupte)

Dit is het soort satire, kluchtigheid en absurditeit dat ik heel leuk vind. Maar als ik een uitvoering zie, in het echt of op YouTube, waar een oude TV-registratie op staat, dan is er ineens weinig te lachen. De acteurs spelen alsof zij de personages niet echt zijn – ze spelen de ironie- en dat geeft de uitvoeringen iets moeilijks, alsof het Pinter is, of Beckett. Dat doet me denken aan een opmerking van wijlen Matthijs Rümke, de regisseur. Hij zei over mijn werk: ‘Jouw werk is zo ontzettend lastig om te regisseren.’
Ik denk dat voor het werk van Joe Orton, op een hoger niveau, hetzelfde geldt.

In de nóg kluchtiger What the butler saw – een titel die vroeger gebruikt als titel voor boekjes met ‘pikante foto’s’ – worden leugens op leugens gestapeld tot een onontwarbare kluwen, als bij een moderne post truth-regering. Geraldine, de onschuldige in dit verhaal praat met Prentice, een oudere arts van het type: ‘kleedt u zich maar helemaal uit’.

Geraldine: Wacht! Er is een oplossing! We moeten de waarheid vertellen!
Prentice: Wat een ontzettend defaitistische houding! – Achter het kamerscherm jij!

Tegenwoordig beoordelen we de kwaliteit van verzonnen personages om hun geloofwaardigheid, of we ons met hun kunnen identificeren, hun kwetsbaarheid en hun lievigheid. Dan is het wel eens een verademing om deze smeerlapperij te lezen van iemand die wat mij betreft wel wat jaren verder had mogen leven.

Stedelijk

ba-2771b

In het Stedelijk Museum van Amsterdam zoek ik  een oude vriend, de Kienholz. Na de verbouwing ben ik niet meer in Het Stedelijk geweest, hoewel ik me herinner dat ik er altijd met een vrolijke opwinding over het Nieuwe vandaan kwam. The Beanery, zoals dit werk van Edward Kienholz eigenlijk heet, is een intallatie, waarin een café in LA precies is nagebouwd, op tweederde grootte, met de stamgasten er in, de krant van vlak voor het uitbreken van de Vietnam-oorlog nog in de krantenbak en een bordje Verboden voor homo’s aan de muur.  Alles overgoten door een waslaag om de tijd te conserveren. Als je op een knopje drukt kun je de stemmen uit 1964 nog horen en kun je de geur nog ruiken, die volgens een speciaal procédé op de ventilator wordt geblazen.

Alles is heel precies en naargeestig, niet in de laatste plaats omdat de gezichten van de stamgasten zijn vervangen door klokken. Amerikanen moeten niet veel van Edward Kienholz hebben. Zij op hun beurt gaan liever naar Amsterdam om de Rembrandt en de Van Gogh te zien.

Ik zoek mijn Kienholz in alle zalen, ik kan hem niet vinden. Hij is weg.

Ook de Barnett Newman (Who is affraid of red, yellow and blue nr 3, het schilderij dat in 1984 met een stanleymes is mishandeld) vind ik niet. Bij kunstwerken is het als met grafstenen van familieleden. Soms wil je gewoon even weten of ze er nog zijn.

Wel zijn er enkele zalen ingeruimd voor een jonge Amerikaanse kunstenaar die zijn lul fotografeert. En een tentoonstelling waarin je de Ed van der Elsken beleving kunt beleven.

Voor een kop koffie moet je buitenom lopen. Kost 2 euro 75.

Ter hoogte van het kitscherige van Gogh Museum maak ik de eerste plannen voor de oprichting van een museum voor kunstwerken die er niet zijn. Ik raak geïnspireerd, heel even borrelt het weer op. De blijdschap om een origineel idee. Een museum met lege muren. In de trein naar huis herinner ik me dat Willem de Ridder dat al eens heeft gedaan. Een audiotour waarmee je met een volledige uitleg naar lege muren staat te kijken. Dat was in het Stedelijk.

Ziel

800x800bb

Ik had ooit een boekje, uitgegeven door een vaag anarchistisch drukkerijtje, dat als titel had: The soul of man under socialism. Het was in 1890 geschreven door Oscar Wilde. Ik ben het boekje kwijt, maar de titel blijft me bij. Van de inhoud van het essay begreep ik niet veel, het was geloof ik dat Kropotkin de nieuwe Christus zou zijn en dat het socialisme het beste in de mens naar boven zou halen, maar ik zag iets anders: hoe gedragen personages zich in een onderscheiden politiek regime, in een bepaald wereldbeeld. The soul of man under Putinism, the soul of man under Trumpism, the soul of man under populist government, the soul of man under global warming. En ineens zie ik mogelijkheden dramatische verhalen te bedenken die een politieke en maatschappelijke lading hebben, zonder dat de personages daar rechtstreeks mee bezig zijn. Neem bijvoorbeeld de opwarming van de aarde. Het meest voor de hand liggende is te vertellen over dijkdoorbraken en mensen die verdrinken. Maar als we ons proberen in te leven in wat de opwarming werkelijk met de mensen doet als we de gevolgen ervan eenmaal gewoon zijn gaan vinden, dan komen we misschien op mooie situaties. Met welke problemen houdt de elite zich dan bezig? (Niet met de opwarming!) Hoe leeft de onderlaag van de bevolking? (Ze schikken zich in hun lot en overgebruik aan drugs wordt oogluikend toegestaan) Hoe vieren ze feest, hoe hebben ze seks, hoe verlopen hun relaties, hoe is hun moraal, wat zijn hun complottheorieën — hoe is hun ziel? Maar niemand maakt een woord vuil over waar het allemaal mee begon. Zelfs de Brexit zal ooit zo normaal worden dat niemand er meer aan denkt en dat niemand op de gedachte zal komen hoezeer dat het lot van de mensen heeft beïnvloed.
Ik hoop het boekje ooit terug te vinden, maar eigenlijk geeft het kennen van de titel al genoeg stof om over na te denken.

Dit is de tekst van het boekje

Realistisch

6536857-p-590_450

 

Ik dacht na over ‘realistische’ en ‘verheven’ dialogen in films en toneelstukken. Realistisch in de zin van er staat wat het betekent. Verheven in de zin van poëtische ruimte.
Toen ik gisteren in een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz zat te bladeren, viel me op dat de personages tot elkaar spreken in de vorm van spreekwoorden en tegeltjeswijsheden. Dat is mooi, want het impliceert dat ze elkaars wijsheden begrijpen en zo spreken ze min of meer indirect met elkaar. Bijvoorbeeld een afscheidsscene:

A: ‘Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.’
B: ‘Een mens moet blijven dromen. Zonder dromen sterf je.’
A: ‘Het is goed om af en toe realistisch te wezen.’
B: ‘Voor de realiteit is tijd genoeg als ik in het graf lig.’

Dit bedacht ik zelf even in de gauwigheid, Kroetz schreef het wat volkser op, zijn personages bestaan uit armoeiige boze burgers. Hier hebben Helmut (een man met één been, verloren tijdens militaire dienst, in vredestijd) en de aardige Christine het met elkaar gedaan in het hooi. Er komt een zwangerschap van. Christine weet niet of ze wel zin heeft in deze vent. Maar Helmut wil wel. Ze zeggen dit:

H: ‘Dit is nou eenmaal het lot, die ken je nou eenmaal niet ontlope.’
C: ‘Maar dat jou dat lot mot treffe, der benne toch ook zoveel andere?’
H: ‘Dat is het lot.’
C: ‘En wat mot ik daar mee?’
H: ‘Een dappere man is beter as geen dappere man.’
C: ‘Ik had liever dat het zoals vroeger was.’
H: ‘Je bent ondankbaar.’

In een ‘realistischer’ dialoog zou je Christine misschien laten zeggen:

‘Ik weet het niet, Helmut. En ik hoop niet dat je het erg vind dat ik het zeg. Maar ik geloof dat ik me een beetje voor je schaam.’
En dan Helmut:
‘Luister, Christine, je hebt het maar te accepteren.’

Deze dialoog leest waarschijnlijk vlotter, dient de informatie meteen op en we kunnen verder.
Maar in de kunst gaat het niet alleen om informatie. Soms gaat het om wat er buiten de informatie gebeurt, en soms gaat het er om wat er overblijft als er géén informatie wordt uitgewisseld.
De ‘realistische’ dialoog maakt ook veel meer gebruik van zinnetjes als ‘Ik weet het niet, Helmut’ en ‘Luister, Christine’ -zinsdelen die bedoeld zijn als cement tussen de blokken feitelijkheden. Op zich betekenen ze weinig, maar laat je ze weg, dan stort de muur in. Vroeger schrapte ik dan dat soort zinnetjes. Het resultaat was dat ik alleen maar personages had die met eenzelfde soort botheid met elkaar spraken.

‘Ik schaam me voor je.’
‘Je hebt het maar te accepteren.’

‘Luister Christine’ en ‘Ik weet het niet Helmut’ heeft de geur van muffe hoorspelen, dus ik zocht iets anders. Ik zocht het meer in muzikaliteit, ritme, klank en herhaling:

‘Nee, wacht, Christine. Luister. Luister… Ik – Moet je luisteren. Wacht. Luister je? Okee. Goed. Kijk me aan. Zie je me? Dit ben ik. Dit is wie ik ben. Ja?’
‘Ja. Maar t is moeilijk. Ik zie je. Maar t is moeilijk.’
(Of zoiets)

Dat heb ik van Heijermans – de terugkomst van de verloren zoon, of, in dit geval, de verloren broer:

‘Wie? … Geért!’
‘Ja. Ik ben ‘t. Nou je mag me wel een poot geve.’
‘Heb je – Heb je moeder al…’
‘Nee. Waar is ze…’
‘Moeder, die… die..’
‘Wat sta je me nou bezopen aan te kijke?

Heijermans was een meester in het verstoppen van informatie. Hij paste ervoor om te schrijven:

‘Nee maar, Geert! Jezus! Wat een verrassing! Ik dacht dat je nog in de gevangenis zou zitten!’

Nooit de woorden zeggen waar het echt om gaat.
Liever lucht en losse kreten dan dat.

De Amerikaanse auteur David Mamet heeft ook zo’n manier van dialoogschrijven: de betekenis haal je uit een herhaling van op zich betekenisloze woorden. In deze scene wil de ene man van de andere man weten of hij ook verliefd op hem is.

‘Alsjeblieft.’
‘Dank je.’
‘Graag gedaan. Wat ben je vanavond van plan?’
‘Je bedoelt nu?’
‘Ja.’
‘Ik dacht- naar huis en wat lezen.’
‘Ah.’
‘Misschien een stukje lopen.’
‘Ah’
‘Waarom vraag je dat?’
‘Nergens om.’
‘Oh.’
‘Gewoon een vraag. Ik vroeg maar wat.’
‘Nou, IK dacht er dus aan om een stukje te lopen.’
‘Mmmm.’
‘Waarom vroeg je me dat?’
‘Nergens om – Tenzij je het leuk lijkt dat we ergens een hapje eten.’
‘Eten? Ik eet nu niet!’
‘Een kop koffie dan.’
‘Ik loop wel een stukje met je op.’
‘Prima.’
‘Goed.’

Lezen (1x) Koffie (1x) Eten (2x) stukje lopen (3x) – Stukje lopen wint! Voor de rest: veel ‘ah’s, ‘Oh’s, en ‘ja’s. Wat er echt gebeurt, gebeurt tussen de regels.
Toen ik het werk van Mamet eind jaren ’80 voor het eerst las ging er een wereld voor me open. Iets zeggen door niets te zeggen! Hoe bestaat het!

Maar ik blijf houden van de Kroetz-taal. Bij Kroetz denk je meer aan een geslaagde popsong. Je begrijpt de zinnen niet in hun letterlijkheid, maar je voelt wel waar ze voor staan en het is dat gevoel, dat een lied, of een toneeldialoog tot iets onvergetelijks kan maken.

Hoe de verhalen de wereld in komen

doctor-faustus-date-1636-g37wnj

Volgens mij heeft iedereen zich wel eens afgevraagd, na het horen van een mop, waar die eigenlijk vandaan komt. Degene die ‘m vertelde heeft het van een ander, die heeft het weer van een ander en die weer van een ander. Soms heeft iemand ‘m in een boekje gelezen, maar ook dat boekje is weer geschreven door een ander,  die hem ook weer van een ander heeft gehoord. Het antwoord op die vraag kan van alles zijn. Het was iets grappigs dat echt is gebeurd, iets uit een boek, een gekke inconsequentie in de taal, die iemand is opgevallen, de naïeve opmerking van een kind die onbedoeld grappig was, of een vondst van een cabaretier, die een eigen leven is gaan leiden. Als een mop wordt doorverteld, ondergaat -ie veranderingen, hij wordt geperfectioneerd en wordt, al doorvertellend, bijgeslepen als een steen, tot -ie de perfecte vorm heeft bereikt.

Hetzelfde gebeurt met verhalen. Begin 2017 hield ik een lezing voor de Auteursbond, dat als onderwerp sterke verhalen had, en dat zich bezig hield met de vraag waarom er weinig nieuw repertoire voor het Grote Toneel wordt geschreven. Ik heb daar geen antwoord op. het ligt aan heel veel dingen en er is waarschijnlijk niet één antwoord op te geven. Maar aan het al of niet bestaan van de goede verhalen zal het niet liggen – die zijn er. Je moet ze alleen zien, weten op te pakken en het op je eigen manier veranderen om er betekenis aan te geven.

Met dat idee in het achterhoofd heb ik twee grote toneelverhalen opgepakt en het verhaal van die verhalen proberen te vertellen. Ik heb Oidipous en Faust gedebunkt, teruggebracht tot iets dat echt gebeurd is, vervolgens het proces van mythevorming beschreven en tenslotte wat schrijvers er aan hebben toegevoegd om van die mythen een ijzersterk en verhaal te maken, die later van enorme invloed blijken te zijn.

OIDIPOUS

De feiten

Vele eeuwen voor onze jaartelling (het concept jaartelling is trouwens eveneens een spruit van mythen) bestond de wereld uit Griekenland. Deze wereld bestond uit min of meer georganiseerde stadstaten. Belangrijkste persoon was in naam een vrouw, de priesteres, degene die het dichtst bij de Goden stond. Maar de mannen hadden de werkelijke macht. En die waren expansief, die mannen. De meest ambitieuze trokken er op uit om een stadstaat te veroveren. Korinthe was een stadstaat waar de troonopvolging van vader op zoon ging: gaat vader dood, dan volgt de zoon hem op. In Thebe is de opvolging matriarchaal, de zoon van de priesteres wordt de volgende koning. Zoals bij het Dappere Snijdertje. Wie de prinses trouwt wordt koning. Een subtiel verschil, met nogal wat consequenties. Goed. Dit zou er gebeurd kunnen zijn. Een jonge man, Oidipas, komt uit Korinthe, een patriarchaal bestuur, en verovert Thebe. Het betekent -bestuurlijk-  dat hij met de priesteres (de moeder van Thebe) Iokaste trouwt. Hij wil de grondwet wijzigen: Niet de dochters van zijn vrouw, maar de zonen van zijn vrouw zullen voortaan verantwoordelijk voor de opvolging van de macht zijn. Dit zet kwaad bloed bij de broer van de priesteres, Creoon, en bij de bevolking. Het loopt niet goed af met Oidipas – het volk van Thebe komt in opstand en Oidipas wordt verbannen.

Mythevorming

In de eeuwen er op gebeurt er van alles met het verhaal. Een aantal mythen hechten zich als vliegen aan een strooplint aan de historie. Hoe wordt dit wat saaie verhaal nu een verhaal, waarin een Oidipous (kapotte voet) koning wordt van Thebe, na een raadsel te hebben opgelost die een sfinx hem opgeeft, en er na een aantal jaren achter komt dat de man die hij tijdens een reis heeft vermoord zijn eigen vader is en de vrouw met wie hij is getrouwd zijn moeder is.

De sfinx  is als motief enigszins te achterhalen. Dat is een wezen met een vrouwengezicht, het lichaam van een katachtige, de vin van een vis en de vleugels van een zwaan. Waarschijnlijk werden ooit de vier seizoenen zo afgebeeld en de griezelige afbeelding is een eigen leven gaan leiden. Het raadsel: wat loopt eerst op vier benen, dan op twee en dan op drie? – Antwoord: de mens. Als kind, als volwassene en als bejaarde met een stok – was toen al een ouwe mop, maar wel heel geschikt voor het verhaal.

Het motief van de incest ligt ingewikkelder. Maar er wás een man die de eer van de priesteres heeft bezoedeld door te trouwen met iemand die de inwoners van de staat als hun moeder beschouwen, om haar vervolgens alle macht te ontnemen. Ook zal het wel zijn voorgekomen dat, om het ingewikkelde gedoe rond het matriarchaat te omzeilen, een stervende koning een (bastaard) zoon naar voren schuift om hem op te volgen. Hoe dan ook, de mensen in Korinthe waren erg boos op de indringer en na diens verbanning zal de clan van de indringer ook wel een duit in het zakje hebben gedaan om hem te diskwalificeren. (Hij was niet een van ons, eigenlijk was hij een van hún!). Ook nu nog bestaat een deel van politiek bedrijven uit het herschrijven en herschikken van verhalen. Dat zal toen niet anders zijn geweest. En zo kan het gebeuren dat iemand, die met weinig succes een troon heeft opgeeist zo maar een een incestpleger is geworden. Hoe men het leeftijdsverschil tussen de beide liefdespartners verklaarde weet ik niet. Men heeft het er doodeenvoudig niet over.

Het doden van de vader: Afkomstig van het ritueel dat een verslagen vorst met gebonden voeten achter een wagen wordt gesleept tot hij in flarden en stukjes door de straten van de stad teruggevonden wordt. Ziehier het verband tussen Laios en de wagen.

Je ziet: opzettelijke -politieke- veranderingen aan het verhaal, echte misverstanden die de allure van echt gebeurd krijgen en ronduit fantasie, tuk op tot de verbeelding spekende gewelddadigheden en schandalisme vormen het verhaal. Dat was toen zo, en zo gebeurt het ook nu.

De vertellers hebben een aantal problemen met de logica van het verhaal (niet de  waarheidsgehalte van de gebeurtenissen). Hoe kan hij niet weten dat het zijn moeder is? – Omdat hij ergens anders is opgevoed. Door herders. Een motief dat al langer bestaat en zelfs in 19e eeuwse sprookjes nog voorkomt. Kinderen werden wreed te vondeling gelegd, met een spijker door de voeten – om duidelijk te maken dat de ouders afstand doen van hun baby. Hoe is hij bij de herders terechtgekomen? In een kistje, een rieten mandje, dat te water wordt gelaten en afdrijft, de dood of een onzekere toekomst tegemoet. Een bekend motief, tot in de Bijbel. Er zou best eens een echte praktijk aan ten grondslag kunnen liggen. De oude vorm van het vondelingenloket. Moeders zullen dromen dat het kind als door een wonder toch nog goed terechtkomt, een geloof dat maar zeer af en toe bewaarheid wordt. Alles kan gebeuren, dus ook, al is het heel zelden, dat waar je op hoopt.

En zo wordt de fictieve Oidipous opgevangen door herders, die hem al vroeg afstaan een de koning van Korinthe, die hem op laat groeien als zijn eigen zoon. Op een dag krijgt hij een voorspelling: hij zal zijn eigen vader vermoorden en met zijn moeder trouwen. Omdat hij niet weet dat degenen die hij als vader en moeder beschouwt, niet echt zijn ouders zijn, gaat hij er vandoor en doet allerlei omzwervingen. Bij een ervan wordt hij lastig gevallen door een wagenmenner. Hij wordt boos, hij doodt de stuurman en de inzittende (zijn vader, blijkt later) . En hij heeft het raadselgesprek met de sfinx.

Na een jarenlange koningsschap komt hij volgens de mythe achter zijn eigen verleden. Iocaste, de vrouw/moeder kan de schande niet aan en maakt zichzelf van kant. Oidipous wordt verbannen – het enige van het oorspronkelijke verhaal dat nog klopt. Zo is na honderden jaren  een mooi wonderverhaal ontstaan, met politieke en sprookjesachtige elementen.

Sophokles

Van Sophokles is de uitspraak: ‘Ik verzin geen verhalen, ik haal alles uit het werk van Homerus’. Een mooie schrijversuitspraak, maar het lijkt me in dit geval sterk. In Odysseus wordt aan dit verhaal slechts gerefereerd,’ t is meer een voetnoot. Odysseus komt in de onderwereld, treft daar Iocaste aan (onder een andere naam) die maar heel summier over Oidipous vertelt. Ik kan me niet voorstellen dat hij in die passage een geweldig toneelstuk zag. Eerder denk ik dat het verhaal van de man die zonder het te weten zijn vader heeft gedood en met zijn moeder is getrouwd al heel lang een eigen leven heeft geleid in de volksverbeelding.

Als Sophokles besluit van deze spectaculaire stof een toneelstuk te maken, moet hij een paar problemen oplossen. Het eerste is: Hoe komt Oidipous achter de aard van zijn afkomst en zijn schandalige daden? En vooral: Hoe vertel je dat op een manier die de aandacht van het publiek vasthoudt? Stel je voor, je kijkt naar een toneelstuk over een man die kennelijk de koning is van iets. Vrouw en kinderen lopen rond. Er wordt een brief bezorgd. Daarin staat dat hij zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder naar bed is geweest. De koning neemt kennis van de brief en trekt zich uit wanhoop de haren uit het hoofd.

Tja, denkt de toeschouwer. Goed voor een krantenkop, maar nog niet echt een verhaal. Wat is het probleem? Vervelend voor die man, maar waarom moet ik dat weten? We willen iemand zien die strijdt en vecht voor iets, niet iemand die een vervelende brief ontvangt. Anders wordt het net als een voetbalwedstrijd waar de uitslag van tevoren al bekend is.

Dat is niet de manier waarop verhalen werken.

Sofokles moet eerst gedacht hebben: om iemand ongelukkig te laten eindigen, moeten we het verhaal beginnen op het moment dat de held gelukkig is. Hij denkt nog even door. Misschien is gelukkig niet het goede woord, maar ideaal. We stellen ons een ideale koning voor. Rechtvaardig, neemt goede beslissingen, iedereen loopt met hem weg, een geweldige gast. En juist hij blijkt niet zomaar een paar menselijke fouten te hebben, hij blijkt blijkt het laagste van het laagste te zijn.  De grootste crimineel. Alsof Nelson Mendela zichzelf ontmaskert als fanatieke genocidepleger. Of dat Ghandi de aanvoerder bleek te zijn van een gruwelijke moordcommando.

We moeten dus beginnen hem te zien in een situatie waarin hij verstandig en snel kan handelen, liefst op een manier waarop normale mensen niet in staat zijn. Athene was in de tijd van Sofokles een bloeiende stad met een hoog beschavingsniveau. De minder gecultiveerde en ruigere en daardoor sterkere Spartanen lagen hun kans af te wachten, maar Athene wilde van geen gevaar weten. Sofokles leefde in een ideale staat, kunst stond in hoog aanzien en Sofokles was beroemd. In zijn jeugd heeft hij één verschrikkelijke en angstaanjagende toestand meegemaakt – een vreselijke ziekte brak uit waar veel mensen aan stierven. De pest. Er bestond geen medicijn tegen.En besmet raken ging heel gemakkelijk. Artsen konden niet veel anders doen dan de goden te laten beslissen over het lot van de Atheners. Keer op keer werden er bodes naar het orakel van Delphi gestuurd om te vragen hoe de vlag er bij hing. En keer op keer kwamen ze terug met cryptische aanwijzingen, totdat de ziekte was uitgewoed.

Hieraan zal Sophokles gedacht hebben toen hij een beginsituatie voor zijn stuk zocht. Wat als Thebe nu eens door zo’n verschrikkelijke ziekte wordt overvallen. De koning moet met een oplossing komen voor iets waar geen oplossing is. Een opstand dreigt. Hij moet zijn positie waarmaken.Hij stuurt een bode naar het orakel om raad te vragen. De bode komt terug met het medicijn: ‘vind de man die zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder het bed heeft gedeeld.’

Hebbes!

Teiresias

Een van de personages in het stuk is Teiresias, de figuur van de blinde ziener.Wat hij zegt is waar, ook al zou je het liever niet willen geloven. De geschiedenis van Teiresias wil ik je niet onthouden. Er bestaat een legende dat als je twee slangen ziet paren,  je dan ogenblikkelijk verandert in een ander geslacht. Gelukkig ziet Teiresias acht jaar later op dezelfde plek weer twee slangen paren, wat hem weer terug  in een man verandert. In het Pantheon hebben oppergod Zeus en zijn vrouw Hera een. Hera verwijt Zeus dat hij steeds vreemdgaat. ‘Ja, maar jij haalt als vrouw veel meer plezier uit de seks,’ zegt Zeus. ‘Wat een onzin. Dat is helemaal niet waar!’ roept Hera uit. Omdat de argumenten vruchteloos over en weer gaan besluit Zeus Teiresias er bij te halen, die immers als man ook vrouw is geweest. Hij verklaart desgevraagd: ‘Op een schaal van een op tien heeft de man één punt plezier en de vrouw negen. Hera accepteert het antwoord niet en slaat Teiresias met blindheid. Als troostprijs schenkt Zeus hem een blik in de zuivere waarheid.

Latere bewerkingen

Om  het verhaal te beginnen met een man die  het geweldig politiek probleem rond de volksgezondheid moet oplossen, is een magistrale kunstgreep geweest. Het stuk moet een enorme indruk hebben gemaakt. Doordat het refereert aan omstandigheden die ieder kende uit verhalen en eigen ondervinding was het enorm krachtig, had men het idee dat wat Oidipous overkwam, henzelf ook kon overkomen. Tot nu toe zitten adolescenten, die het verhaal voor het eerst voor hun ogen zien afspelen aan hun stoel gekluisterd en huiveren als het tot hen doordringt dat hijzelf degene is op wie hij een verschrikkelijke vloek heeft uitgesproken. ‘Oh nee!’ Hoe hij zich vastklampt aan de hoop dat het niet zo is. Teiresias die het verhaal met tegenzin en slechts onder zware druk vertelt en als klap op de vuurpijl het naieve verhaal van de herder, die de laatste twijfels wegneemt en daarmee, zonder het te willen, de bodem onder het bestaan van de held wegrukt.

Wat een verhaal! Goddank niet verloren gegaan in de grote bibliotheekbrand in Alexandrie, heeft het voortgeleefd in allerlei versies. Seneca schreef een versie, waarbij Oidipous vanaf zin 1 al onheil voorvoelt (wat ik persoonlijk minder sterk vind.Met iets voorvoelen geef je te veel van het eind weg, wordt het eind voorspelbaar).

De succesvolle man, van wie de ijle brug instort waarop zijn succes is gebouwd is voorgoed een psychologisch probleem geworden omdat elke leider, hoe getalenteerd ook,  zich bewust is van zijn twijfelachtigheid. De angst voor het Zelf. Wie weet voelde Freud zich daarom aangetrokken tot het verhaal toen hij het seksuele verlangen van een zoon naar zijn moeder het Oedipouscomplex noemde. De moderne psychologische roman is ondenkbaar zonder dit Oedipusverhaal.Het wertk van Karl-Ove Knausgaard is een verslag van een proces van voortdurend zelfonderzoek en zelfveroordeling. Ook nu geldt de Zelfveroordeling als iets dat een oprechter document oplevert dan een zelffelicitatie.

Sprookje

Na vele bewerkingen kreeg het verhaal ook weer nieuwe vormen, onder andere in een sprookje. Een herbergierster is nverwachting en droomt dat ze met haar zoon is getrouwd. Als de zoon is geboren doet ze het kind in een kistje en laat het de rivier afrijven. Ze legt er geld bij en een brief met de smeekbede het kind op te voeden. Achttien jaar is het knd nu en opgevoed door arme vissers. Hij vindt de brief en gaat op zoek naar zijn echte familie. Onderweg moet hij aan de kost zien te komen en gaat werken bij een herberg. Hij trouwt met de eigenares. Een paar jaar later vindt de vrouw de brief tussen de spullen van haar man. Schande dus. Ze vertelt hem dit en de man laat er geen gras over groeien: Hij trekt zich terug op een kasteel op een eland en gooit de sleutel in de slotgracht. Die sleutel wordt gegeten door een vis, de vis wordt gevangen door een groep priesters, bezoeken de kluizenaar en verheffen hem tot paus.

FAUST

Dit verhaal is veel later ontstaan. De middeleeuwen met een machtig christendom waren nodig om dit verhaal deze specifieke gruwelijke elementen mee te geven en het latere humanisme gaf er betekenis aan.

De feiten

Doctor Faust heeft echt bestaan. Jörg Johannes Faust is geboren in 1480 in het Duitse Knittlingen en zijn leven eindigde een en zestig jaar later met een knal in Hotel Zum Löwen Staufen in Breisgau. Zijn bestaan is gedocumenteerd, hoewel niet uitgebreid, maar er waren mensen die hem hebben gezien en in staat waren er over te schrijven. Sommige bronnen beweren dat ij een blauwe maandag in Heidelberg heeft gesturdeerd, waar hij stond ingeschreven onder de naam Helmstetter. Hij trok door een aantal Dutse staten en maakte furore als wonderdokter, astroloog, alchemist en helderziende. Het is niet verwonderlijk dat niet iedereen zijn werken op prijs stelde. De gewone mannen en vrouwen vonden hem geweldig en lieten zich graag verleiden door zijn praatjes, maar de meer geletterde mensen moesten niet veel van hem hebben, vandaar dat hij in de bornnen niet al te positief wordt beschreven. De theoloog Johannes Trithemius heeft hem bezig gezien en schrijft: ‘In Kreuznach kreeg Faust een een baan als scjoolmeester aangeboden, maar nadat hij de leerlingen schandelijk misbruikte en ‘entfloh er als der Sache ans Licht kam’.

Ergens aankomen en dan weer vluchten was the story of his life. In Ingolstadt wordt hij weggejaagd om waarzeggerij, In Neurenberg om Sodomie en toverij en in Tübingen wegens sterrenwichelarij en nooit kloppende voorspellingen. Niet alle leden van de elite waren tegen hem. in het klooster Rebdorf luisteren de monniken graag naar zijn voorspellingen van de gebiorten vn toekomstige profeten en de Bisschop van Bamberg liet door hem zijn horoscoop trekken. Een van de mooise ware verhalen is over zijn bezoek aan het toen nog Nederlandse Batenburg. Daar heeft hij de hoofdhuiod van een kapelaan verwoest door te beweren dat hij hem kon scheren zonder scheermes. Hij kwastte de arme man in met arsenicum.

Een bekend, maar niet te refereren verhaal over de echte Faust wil dat hij het bij de Duitse Klerus voorgoed verbruidde toen hij verkondigde dat hij, net als jezus, over het water kon lopen. Hij zal ongetwijfeld een idee hebben gehad hoe hij de truc moest uitvoeren.

Maar met het produceren van goud vergistte hij zich. Na een ontploffing tijdens een van zijn experimenten in Hotel Zum Löwen,  is zijn lichaam in ‘grässlich deformierte Zustand’ aangetroffen. In het echte leven van Jörg Faust zijn voldoende pikareske elementen om een heel boek aan te wijden, of een film.

Mythevorming

Een paar honderd jaar waren er voor nodig om het leven van de wonderdokter Faust in een volgende vorm te gieten. In 1587 verscheen Historia Von D. Johan Fausten/dem weitbeschreyten Zauberer und Schwartzkünstler’, uitgegeven doorJohann Spies te Frankfurt. Spies gaf theologische boekjes uit, op Lutheraanse school geschoeid.  Vandaar dat naast de groteske volksverhalen de theologische elementen in het verhaal werden benadrukt. Verschillende griezelverhalen en moppen vinden hun weg in dit boekje, alsook fundamentele disputen over goed en kwaad.  De verhalen hadden waarschijnlijk eerst andere hoofdpersonen, maar het was wel makkelijk om ze allemaal onder de noemer Faust te brengen.

Dat gebeurt nu ook. Verbind aan een sterk voetbalverhaal de naam Johan Cruijff en, ook al speelde die in het oorspronkelijke verhaal geen rol, het is makkelijker en niemand zal het kapot checken.

Het verhaal dat er uiteindelijk uit kwam is dat van de geleerde die de eeuwige jeugd wenst en daarom een pact met de duivel sluit. Het contract houdt in dat de Doctor vierentwintig jaar lang kan doen wat hij wil, maar daarna onverbiddelijk ter helle vaart. Als hulpje krijgt hij een knecht van de Duivel mee, die enrzijds tot taak heeft al zijn wensen in te willigen en anderzijds om hem aan zijn contract te houden. Het cntract wordt met bloed ondertekend, de vierentintig vrolijke jaren zijn om voordat hij het weet en zijn einde is gruwelijk.

Het contract met de duivel is iets dat mee is gekomen met de heksenprocessen.  Het bestaan van heksen wordt onder druk van fanatici door het kerkelijk gezag onderschreven en als gevolg daarvan vonden gruwelijke processen plaats, waarin voornamelijk vrouwen werden beschuldigd van hekserij. Een beschuldiging,hooguit aangevuld met rammelende bewijzen, was vaak genoeg voor een brandstapel. Het heette dat heksen een pact met de duivel hebben gesloten, al of niet in den vleze, en alles wat bijzonder was, inclusief het welbespraakt zichzelf verdedigen, werd tegen de veroordeelde gebruikt. Tegelijkertijd gold het ontkennen van hekserij als ketterij. Iemand als Faust was dus een mannelijke heks.

Waar de vierentwintig jaar vandaan komen, weet ik niet. In mythologische zin betekent het volledigheid, waaruit verklaard kan worden dat een dag vierentwintig uren telt.

De naam van het hulpje is Mephistofeles. Die is afkomstig uit een boekje dat de echte Faust gebruikte bij zijn duivelsuitdrijvingen: Der Höllenzang. Een hoeveelheid myzstiek bladzijden, vol vreemde tekens en Latijnse en Hebreeuwse tovergeschriften.  Van voor naar achteren bladerend kon je iemand de hel in wensen, en van achter naar voor bladerend kon je iemand de hemel geven. Op de laatste bladzijde staat een parafrase van het woord Lucifer, de naam van de Duivel: Mephistofiles.

Een van de eerste dingen die Faust wil in deze Historie is gaan trouwen met iemand. Dit nu is onmogelijk, want het huwelijk is iets Heiligs. Maar ‘Zoo veel als hoererije ende alle egtbrekerye aengaet, dat is al goed voor ons’, zegt Mefistofeles.

Faust beleeft tijdens de vierentwintig jaar de meest wonderlijke avonturen. Hij schopt de kont van de Paus, hij verleidt Helena van Troje, hij eet een halve vracht hooi op, hij maakt een reisje door de hel, en maakt kennis met de belangrijkste bewoners ervan, hij maakt een ruimtereis, een wereldreis, waarbij hij de Turkse Keizer in een standbeeld verandert en zich laaft aan diens vrouwen,  ontmoet heiligen, wandelt in het Paradijs, ontmot Karel de Vijfde, Alexander de Grote, tovert mannen bokkenhoorns op het hoofd, en namaakbeen als zijn eigen vlees verpandt bij een jood, hoe hij wijn uit een onleegbaar vat tapt  – je kunt het zo gek niet bedenken. In de nacht van 23 op 24 oktober van het jaar 1538 horen studenten rondom het gasthuis waar ook Faust verblijft een enorme wind op steken. Ze blijven op hun kamer omdat Faust hen bezworen had dat ze er aan zouden gaan als ze zich daar buiten zouden wagen. Er volgt een verschrikkelijk kabaal. Faust schreeuwt de longen uit zijn lijf. De volgende dag wordt hij in stukken gescheurd aangetroffen in en om de herberg. Ze kunnen alleen zijn romp vinden en die wordt dan ook maar begraven.

Marlowe

Het boek van Spies staat bekend als Volksboek. Het is populair, wordt vertaald en zo komt het werk in het Elizabethaanse Engeland terecht. Christopher Marlowe, de toneelschrijver-diplomaat pakt het op en bewerkt het tot toneelstuk. De vorm van het Engelse theater met z’n afwisseling van komedie-en tragedie elementen verdraagt een dergelijk verhaal aardig goed. In de volksboeken staan de discussies tussen Faust en Maphistofeles los van de avonturen die de wonderlijke dokter beleeft. Nu voeren ze hun gesprekken tijdens de avonturen, wat dramaturgische voordelen heeft. Faust is een man voor wie de wetenschap niet ver genoeg reikt en wil door de grenzen heen breken. Religie wordt in die tijd dan al gezien als iets dat kennis tegenhoudt en al loopt het slecht met degene af die de grens overschrijdt, het bestáát en daar was een paar eeuwen daarvoor nog geen sprake van.

Goethe

Het stuk van Marlowe bereikt tweehonderd jaar later Duitsland weer en wordt eind 18e eeuw overal opgevoerd, voornamelijk als poppenkastvoorstelling. Dit trekt de aandacht van de jonge Johann Wolfgang Goethe en hij besluit zijn eigen versie te maken en dat houdt hem heel lang bezig. Pas op zijn tachtigste is hij klaar met het project. Het is een heel lang stuk, Goethe heeft niet de illusie dat het ooit zal worden opgevoerd, maar toch wordt dit bij ons de beroemdste versie van het Faustverhaal. Het is de Faust van Goethe.

Alles is aanwezig, het theologische dispuut met de duistere demonen, de wonderlijke avonturen, het contract met de duivel, de hellevaart op het eind, maar er is ook iets dat volkomen nieuw is: Gretchen.

Het verbod van de Duivel om te trouwen wordt in dit stuk het verbod om lief te hebben. Lust ja, liefde nee. De met demonen begiftigde Faust wordt stapelverliefd op een eenvoudig en vroom meisje, en maakt haar zwanger. Door toedoen van Mefistofeles, die hij zelf uiteindelijk heeft over zichzelf heeft afgeroepen, en die een onafscheidelijk deel van zijn leven is geworden, verzaakt hij haar. Het meisje, wanhopig doet alles om haar lieve ‘Heinrich’ terug te krijgen en is zelfs bereid haar moeder met een giftig drankje om het leven te brengen! Dit komt haar op de doodstraf te staan. Faust moet toezien hoe zijn geliefde naar het schavot wordt gebracht. De consequentie van immoraliteit in een morele wereld.

Gretchen

De uitvinding van Gretchen – ik vind het een uitvinding – maakt het verhaal voor ons razend meeslepend. Het is nu niet alleen geen ideeën-stuk meer, zoals bij Marlowe, maar ook een psychologisch drama. En net als het motief van de pest bij Sophokles, is het Gretchen-motief iets dat werkelijk deel heeft uitgemaakt van Goethes leven.

Als leerling-advocaat  in dienst van zijn oom is de jonge Goethe betrokken het proces tegen Suzanna Margaretha Brandt, een dienstmeisje dat zich liet bezwangeren door een onbetrouwbare goudverkoper uit Holland. Omdat ze haar baan niet wilde verliezen hield ze haar zwangerschap zo goed en zo kwaad als het ging geheim en toen het kind eindelijk daar was, wist ze zich er geen raad mee. Ze liet het kind vallen en het stierf. Ze verstopte het lijkje o der een baal stro – het lichaampje werd ontdekt, het werd een gruwelverhaal in de krant, iedereen had het erover. Een bloeddorstige zoektocht naar de dader leidde naar Suzanna die zich alleen wist te verdedigen door te jammeren dat het een Sturzgeburt was, bij de bevalling is het kind gevallen. Dat eloofde niemand, met veel poeha werd de arme dienstmeid ter dood veroordeeld en Goethe was getuige van het vonnis. In zijn biografie Dichtung und Wahrheit heeft hij het er in een tussenzin over, in de Faust speelt de moord door omstandigheden wel een grote rol. Ook het feit dat een vroegere geliefde, Lotte, de jonge Goethe ooit afwimpelde door te zeggen ’het mag niet van mijn broer’ heeft invloed gehad: Het is Valentin, Gretchens broer, die Gretchen aangeeft als moordenares van haar moeder.

Latere bewerkingen

Het Faustmotief – uitgekleed als een Elckerlyckmotief – het middelmatige personage dat het slechte pad op gaat om het beter te krijgen en daarna verstrikt raakt in het netwerk van het Kwaad – kent vele gedaanten. Bij Thomas Manns Doctor Faustus zien we de componist Adrian Leverkühn geniaal worden door een Duivelspact: hij moet de liefde opgeven. Hartverscheurende taferelen in zijn persoonlijke leven en een wereldoorlog zijn het gevolg. Bij Heinrich Mann stelt een acteur, die Mefisto speelt, zijn enorme gave ten dienste aan het Nazibewind. Nu zien we Amerikaanse televisieseries als Breaking Bad, de film en de serie Fargo, die het Faustmotief belichten. Met als vaste ingredienten de mens die via het kwaad boven zichzelf uit wil stijgen, de duivelse raadgevers, de liefdesoffer en een wisse dood. De oppervalkkige boodschap is: als je het slechte pad op gaat loopt het slecht met je af; de aantrekkelijkheid van het thema is de boodschap die onder de oppervlakte ligt: Je leeft weliswaar kort, maar wel meeslepend. Of zoals de filosoof Slavoj Zizek zegt: Wil je een lang of een interessant leven!

VERHALEN

De sterke verhalen voor kunst en enterainment zijn niet de verhalen die je verzint. De verhalen zijn er al, ze zijn aanwezig in krantenartikelen, advertenties, de oppervlakkige praatjes, het geroddel, in het hele menselijke verkeer. De mens kan alleen de werkelijkheid begrijpen in de vorm van  fictie. Zonder de fictie van het gelukige gezin was er geen reclame geweest voor ‘gezonde’ margarine, had Unilever het smeersel niet kunnen verkopen, zou het niet geproduceerd zijn, was er geen economische groei en geen werkgelegenheid. Zonder de fictie van het bestaan van goed en kwaad zou het nieuws onbegrijpelijk zijn. Politici, oorlogshitsers en economen zijn verhalenvertellers. Je hoeft niet te zoeken naar de verhalen. Ze zijn er al. En iedereen kent ze. Je moet ze alleen kunnen zien en, zoals Goethe en Sophokles en al die andere grote kunstenaars, met je eigen ervaringen er een nieuwe draai aan geven, waardoor het publiek ook kennis kan nemen van verhalen die hen niet worden opgedrongen. Een progressief geluid in reactionaire tijden is even belangrijk als een reactionair geluid in tijden van vooruitgang.

Waarschuwingsdrama

De Oplossing? is een film uit de jaren ’80 die ons wilde waarschuwen tegen het fascisme. Dat was een nobel doel, maar ik begin me af te vragen of het wel mogelijk is om ons voor zoiets te waarschuwen, althans in een invoelbare, meeslepende dramatische vorm. (En niet in de vorm van speeches vol profetisch doemdenken of in de vorm van satire) De gruwelen van de nazitijd kon men pas echt goed dramatiseren nadat het allemaal al was gebeurd. Dat is niet zo vreemd. Er gaat tijd overheen voordat gebeurtenissen zich kunnen vormen tot verhalen. Tijdens de nazitijd was hooguit satire mogelijk als kunstvorm om je direct tegen de dagelijkse gebeurtenissen te wapenen, maar satire moet zich beperken tot het ontmaskeren van domheid. Daar kom je een heel end mee, maar nooit ver genoeg. Pas ná de verschrikkelijke gebeurtenissen kon men er dramatisch iets mee. Dus ik denk dat een poging om het publiek te waarschuwen tegen, zeg, Wilders, of de klimaatverandering, of de agressieve overname van ons land door islamisten – in mijn kunstvorm tot mislukken gedoemd is.

Rechtbankdrama’s

Vlak na elkaar zag ik  De Tokyo Trial en The people vs O.J.Simpson. Allebei rechtbankdrama’s, allebei op Netflix en allebei op hun eigen manier goed. Eén ding hebben ze zeker gemeen en dat is het thema van onzekerheid in het rechtspreken. Het Tokyo-verhaal, op een mooie, stijve, Hollandse manier gefilmd, wat het ongemak van onze eigen rechter Röling benadrukt, zien we de mogelijke kans op een zuivere stellingname tussen ‘goed’ en ‘fout’ voor onze ogen wegrotten. Want het is moreel gezien erg lastig om de (gruwelijke) oorlogsmisdaden uit naam van een heel volk te veroordelen. Een heel volk dat ooit nog eens twee atoombommen op z’n kop kreeg. Veroordeel je ze omdat ze zich niet aan de oorlogsethiek hebben gehouden (wat dat ook is) of veroordeel je ze eigenlijk omdat ze de oorlog hebben verloren? Het andere verhaal gaat over wat er gebeurt met waarheidsvinding als een vreselijk moordgeval, een familiedrama, een politieke zaak wordt. Het laatste verhaal wordt swingend en uitbundig verteld. Je zou willen dat er meer geld was om om onze eigen verhalen met grotere productionele mogelijkheden te vertellen, want die zijn de moeite waard. We hebben Fortuyn, we hebben de ‘politionele acties’, we hebben Han van Meegeren, we hebben de gaswinning – honderden thema’s, hete hangijzers, die schreeuwen om een dramatische interpretatie. Soms toont zich in de beperking de meester maar wat zou het heerlijk zijn eens goed uit te pakken.

Rechts

Ik zou best eens lekker rechts willen zijn. Een beetje op de manier van Hermans en Reve. En Céline. Even niet dat gezapige, betuttelende, saaie, iedereengelijkige, compromisserige, oerbrave – maar het feest van de individualiteit, van het genie, van de grootheid. Als een razende neger in Braafland zou ik een spoor van vernielingen willen achterlaten, dingen zeggen die je eigenlijk niet hoort te zeggen, dingen doen die je eigenlijk niet hoort te doen, weg willen vagen waar ik last van heb overmatig prijzen waar ik baat bij heb – voornamelijk mijzelf, ik zou tegelijkertijd volks en elitair willen zijn, groots en rommelig leven — Maar ben bang dat ik het talent er niet voor heb en ik vind het zo zielig voor mijn slachtoffers. En voor het milieu.

Tegels lichten

Ik lees Tegels lichten van H.J.A. Hofland. Trots zijn op Nederland was in de jaren na de oorlog voor het grootste deel een kwestie van niet kijken wat er echt aan de hand is. We konden onze overzeese gebiedsdelen niet meer veroorloven, maar een politicus die dat zou zeggen lag er meteen uit. De pers was totaal niet kritisch, want vertellen hoe het echt zat, daar kwam maar gedonder van. Klokkenluiders werden de mond gesnoerd. Waarschuwingen uit het buitenland in de wind geslagen.Nederland wilde alleen maar horen dat alles zou blijven zoals het leek. Dat is de tijd waaraan wordt gerefereerd als de goede tijd, waar we trots op moeten zijn, toen alles nog was zoals het hoorde. Leuk boekje. Uit 1972. De taal van tegenwoordig is wat minder wollig dan destijds, maar politiek blijft een kwestie van wegkijken van wat er werkelijk aan de hand is – globalisering, opwarming, een imploderend geloof in het kapitalisme – en om het onvermogen hier iets mee te doen te verdoezelen, is er een overmaat aan aandacht voor randverschijnselen als moraal, Islam, (nationale) identiteit en Zwarte Piet.