E-

Ik heb nooit een rijbewijs kunnen halen. Vier keer heb ik rijexamen gedaan, het theoriegedeelte ging voortreffelijk maar bij het praktijkexamen stonden de examinatoren -allemaal mannen met snorren – doodsangsten uit om mijn rijgedrag. Nou ja, dacht ik, met fiets en OV kom je ook een eind. Toch miste ik de reikwijdte en het vrijheidsgevoel dat aan het bezit van een auto werd toegeschreven en nu heb ik dus een elektrische fiets. Een groot, statig ding met een motor van het merk Bosch in het midden. Inmiddels heb ik ‘m een kleine maand en het is nog wel een beetje wennen.

Je stapt op, begint te trappen en het is alsof iemand ineens een duwtje geeft. Wat bij een eerste duwtje prettig herkenbaar is, maar de onzichtbare vriend blijft doorgaan met duwtje geven en dat voelt een beetje overdreven. Je haalt de nodige trage fietsers in van het soort waar je zelf ook toe behoorde, voordat je op een e-fiets zat. Je denkt aan al die gesprekken met vrienden. ‘Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt zo’n ding te kopen.’ hoor je jezelf nog zeggen. ‘Dan ben je gelijk al aan je pensioen toe. Als je zomers over het fietspad gaat is het er vergeven van oudjes die je inhalen op zo’n ellende-ding.’ Het is allemaal waar wat je zei, maar nu heb je zelf zo’n ding.

Ik wilde een zo sportief mogelijk model die zo hard mogelijk kon, ‘want’, zei ik, ‘ik ben nog niet bejaard!’ – Die hele snelle zijn peperduur en bovendien heb je daar een rijbewijs voor nodig en een gekke helm. ‘En ik wil een gesloten kettingkast, anders roest -ie onder mijn kont weg,’ zei ik ook. ‘Dan moet u deze nemen,’ zei de fietsenmaker en liet me het stijve, degelijke model zien, ideaal voor de moderne bejaarde, waar ik nu op rijd.

Maar goed, ik ga echt wel sneller, al houdt de motor na 25km per uur op met zijn hulp. De tijdwinst die het oplevert gaat op korte afstanden verloren omdat ik ineens heel wat meer tijd kwijt ben om hem op hangsloten en andere beveiligingen te zetten.

Uit gewoonte blijf ik gek genoeg nog zwaar ademen, omdat ik het op mijn gewone fiets zo gewend ben. Aan het einde van de rit ben ik duizelig omdat mijn pavlov-inspanning in geen enkele verhouding staat met mijn daadwerkelijke inspanning. Het fietsen kost dan wel geen energie, ik kan die energie ook niet kwijt.

Naast gewone versnellingen heeft een e-fiets een knopje waarmee je de motor bedient. Dat gaat van ‘uit’ naar ‘eco’ naar ‘toer’ naar ‘sport’ naar ‘turbo’. Het systeem erbij is als volgt: Hoe sportiever het woord, hoe harder de motor werkt, hoe minder je zelf hoeft te doen, hoe onsportiever je dus in feite bent. Nu nog bied ik moedig weerstand tegen de verleiding de motor permanent op standje ‘toer’ te zetten, maar de dag zal komen, ik hoop niet al te snel, dat ik lui en der dagen zat me enkel nog per turbo zal verplaatsen.

Stroming

Ik heb zo vaak hetzelfde gesprek gevoerd en de periode van achteraf-ergernis wordt maar niet korter.
Hij gaat zo:
‘Goedemiddag, eh meneer.’
‘Ah, ik zie het al,’ zeg ik, want de fraai opgepoetste jongeman, die speciaal voor huisvrouwtjes is geselecteerd, draagt een hesje van de NUON. ‘U wil mij een nog goedkoper abonnement aan de hand doen dan die ik al heb.’
‘Inderdaad.’
‘Nou dat wil ik niet.’
‘Waarom niet als ik vragen mag?’
‘Daarom niet.’
‘Maar u lijkt me zo prijsbewust,’ probeert de jongeman.
‘Nou dat ben ik niet.’
‘Hoe kunt u dat nou van uzelf zeggen.’
‘Omdat het waar is. Ik ben niet prijsbewust en ik ben er trots op.’
‘O maar u bent echt wel prijsbewust hoor. Ik kan u iets aanbieden waardoor u aanzienlijk goedkoper uit bent. Mag ik u vragen bij wie u nu uw elektriciteit haalt?’
Hopeloos.
‘Nee, dat mag u niet.’
Want, denk ik, over aan jaar komt er weer een ander aan de deur met hetzelfde verhaal met een minimaal voordeel en een maximum administratiegedoe.
Maar dat zeg ik niet, want dan wil hij meteen aantonen dat het in dit geval anders ligt dan ik denk en voor ik het weet zit hij bij me aan tafel met allerlei cijfertjes te goochelen, die me het ene oor in gaan en het andere oor uit.
Zo zal het gaan, ik weet het zeker, want zo ging het alle andere keren..
‘Als u me even de gelegenheid geeft het een en ander uit te leggen,’ zegt hij. Het is zijn laatste poging. Ik voel een bres in zijn harde schild van zelfverzekerdheid. Ik zie zijn strategie.
Semi-intellectueeltjes als ik willen nooit op domheid en halsstarrigheid worden betrapt, maar af en toe moet ik de kracht vinden om het wél te zijn. Ik recht mijn rug en word van teflon, waar alle verkoopargumenten hopeloos van afglijden. Ik roep de leegte in mij op en zie af van alle meegaande gedachten. Ik ga in de tegenaanval door hem tot meegaandheid te dwingen en probeer een smeekbede.
‘Gaat u alstublieft naar iemand anders, dit heeft bij mij geen zin.’
Dat blijkt te werken.
‘Goed, dan wens ik u een prettige dag verder,’ zegt hij eindelijk. En in de luttele tijd van het sluiten van een deur is hij verdwenen.
Dit keer ging het goed. Maar een volgende keer heb ik na een moment van aarzeling toch weer zo’n gast in de kamer die me allerlei hopeloze vergezichten voorschotelt, terwijl ik alleen maar denk: ‘Ga toch weg.’

Koor

Gister was ik in de schouwburg bij de Nederlandse premiere van ‘Vergeef ons’, van Guy Cassiers, naar het boek van A. M. Homes. De enscenering kwam erop neer dat de acteurs in een soort boy-band opstelling achter een vijftal microfoons staan en zo hun monologen, dialogen en kleine scenes spelen. Het is een mooie manier om een roman te bewerken; personages kunnen hun gedachten uitspreken, je hebt eigenlijk geen decor nodig, wat maakt dat het decor juist heel expressief kan zijn, en sprongen in de tijd zijn heel makkelijk te maken, je zegt gewoon: ‘Een maand later’ of iets dergelijks. Lang geleden, toen de dramatische vorm, met enkel dialoog en logische, aansluitende scenewisselingen op z’n hoogtepunt was, in de tijd van Racine en Corneille, zei Corneille al: ‘De roman, zoals die zich nu ontwikkelt is eigenlijk beter dan de toneelvorm; je kunt vanuit het hoofd van je personage schrijven en een moment later kun je een berglandschap beschrijven en in woorden tot leven wekken. Je kunt honderden personages opvoeren zonder aan de kosten te hoeven denken en je bent niet beperkt in je hoeveelheid tijd, een roman kan vijftien bladzijden zijn, maar ook tweeduizend. De mogelijkheden zijn eindeloos.’

Naar een toneelstuk kijk je anders dan naar een film. We vinden het niet vreemd dat een acteur op het toneel meerdere personages speelt. Een decor kan meerdere locaties voorstellen, geluid en belichting maken intimiteit en vergezichten mogelijk. Als het goed gedaan is blijft de suggestie zo sterk dat het publiek even goed gelooft er bij geweest te zijn, als bij een film, de televisie of een roman.

Hoe nieuw de boy-band opstelling ook lijkt, volgens mij is dit de oudst denkbare verhalende theatervorm. Een koor van zangers, sprekers en dansers komen op een moment tijdens de grote Dionysos-feesten op en blaten hun zangen het publiek in. Op een zeker moment komt iemand op het idee een van de acteurs het personage uit te laten beelden waar het verhaal over gaat. Iemand die over zichzelf ‘ik’ zegt. Dat heeft de weg vrijgemaakt voor het toneel zoals we dat lang hebben gekend, met deuren, sofa’s en een tafeltje met sterke drank. Het Koor is daaruit vrijwel verdwenen. Soms had je een toneelstuk dat begon met dienstboden die met plumeaus de meubels aan het afstoffen waren en roddelden over meneer en mevrouw die zo wel thuis zouden komen. Daardoor kreeg het publiek te weten wat het moest weten. De dienstboden zijn in dit soort stukken de overblijfselen van het Koor.
Maar nu, in deze vorm, bij het stuk dat ik zag, is het Koor in feite helemaal terug.

Puur door suggestie, theatertechniek en steengoed acteren zien we het wonder weer gebeuren: een aantal mensen vertelt een verhaal, dat ons meesleept en doet lachen en ontroeren, op een manier die ons gedurende een paar uur op een ander plan brengt. Om daarna verkwikt de werkelijkheid weer tegemoet te kunnen treden.

Hotel Zigterman

Afgelopen jaar druk bezig geweest met het schrijven van drie komedies, onder de gezamenlijke naam Hotel Zigterman. Het meeste werk was wel om alle serieus bedoelde elementen te schrappen. Dit wordt een heerlijke productie dat werkelijk geen donder voorstelt, en dat is een hele geruststelling in deze tijd. De repetities zijn begonnen. Met oa Marieke Klooster (Vrouw Holland) en Miranda Bolhuis (Boven Wotter) en Roger Goudsmit (Boven Wotter) – Regie: Albert Secuur. Helaas alleen in Midden Groningen te zien.

Een kleine tragedie

Bij elk zichzelf respecterend treinstation is een fietsenstalling met een goeie fietsenmaker. Bij ons is dat Kick Fakkeldij en zijn zoon. Kick is een goeie fietsenmaker zoals een dierenarts een goeie dierenarts kan zijn. Het gaat bij deze vakmensen niet echt over dieren en fietsen, het gaat over de mensen.

Toen ik net in Naarden woonde kon je je fiets buiten het station parkeren. dat heb ik tien keer gedaan, toen was -ie gestolen. Je kent die radeloze woede wel die zich dan van je meester maakt. Ik liep naar het hokje van Fakkeldij en ik blies mijn stoom af. Kick hoorde het met het grootste begrip aan en deed precies het goede: hij treurde met me mee en verkocht me géén fiets. Een week later, toen ik uitgerouwd was, kocht ik natuurlijk wél een fiets. Hij herkende me en liet me een aardig tweedehandsje zien waar ik voorlopig even mee vooruit kon. ‘Ik vind het zelf een heel aardig dingetje,’ zei Kick. Ik vond de prijs schappelijk. Het is nu vijftien jaar later en ik fiets er nóg op!

Intussen veranderde er veel. De gemeente wilde de fietsen niet langer voor het station zien, dus moesten er nieuwe fietsenstallingen gebouwd. Er kwam een heel nieuw gebouw naast het station te staan, speciaal voor de fietsen en Kick zijn ‘Fietspoint’. De opening was met feest en champagne. De zaken gingen goed, Kick en zijn personeel konden het reparatiewerk nauwelijks aan.

Ik parkeer mijn fiets er honderden keren per jaar. Kick bleef mij en mijn sportaatje herkennen, altijd een groet, altijd een gebbetje. Je zag hem geen groter plezier hebben als hij kinderen een nieuwe fiets aanmat. Je kon ook altijd op begrip rekenen als er iets mis ging. Toen mijn fiets eens een stationnetje verder op een hangslot stond, waarvan de sleutel definitief zoek was, kreeg ik zomaar een betonschaar van hem mee. ‘Mondje dicht.’ zei hij.

Zo’n man die je altijd het gevoel geeft dat je zijn favoriete klant bent. In moeilijke tijden kun je dat nou net even nodig hebben.

De afgelopen weken zag ik Kick en zijn zoon de hele winkel leeghalen. De stellingen met fietsbanden en regenpakken, voor en achterlichten, sloten, de nieuwe fietsen, de reparatiefietsen – alles werd afgebroken, losgeschroefd en in een oude bestelwagen afgevoerd.

Als je vroeg wat er gebeurde, zei Kick: ‘We gaan verbouwen!’ Maar dat was niet waar. Dat móest hij zeggen. Van de Nederlandse Spoorwegen. Om geen boze klanten te krijgen.

Want de Nederlandse Spoorwegen hebben in hun zichzelf toegedichte wijsheid besloten dat Kick daar weg moet. Want zie de statistieken! Wie heeft er tegenwoordig nog behoefte aan een goede fietsenmaker? En de stalling? Zie de technische vooruitgang! Die kan ook geregeld worden met pasjes, automatische deurtjes en toezicht houdende camera’s.

Dus een paar dagen geleden zag ik Kick voor het laatst in die grote, nu volkomen lege fietsenwinkel. Hij deed waar hij voor was. Hij plakte een bandje. Gewoon zoals we dat thuis ook doen, fiets op de kop, stukje schuurpapier, tube solution.

‘Ik ben hier 99,999 keer volmaakt gelukkig naartoe gegaan,’ zegt hij met vochtige ogen. ‘Alleen de laatste twee dagen is het niet te doen…’

Ik geef hem een hand en dank hem voor alles. Ik fiets naar huis onder de donkere wolken van een, vind ik, alles bij elkaar grimmig wordende wereld.

De Lubitsch Touch van Martin McDonagh

Wat maakt ‘Three billboards outside Ebbing, Missouri’ zo’n goede film? – Die is gemaakt door een toneelschrijver. The beauty queen of Leenane (ooit gespeeld door Theater te Water) en het wreed-hilarische A skull in Connemara (met veel knekelhumor) zijn fantastische navrante werken van dezelfde schrijver/regisseur.
Martin McDonagh laat zijn verhalen afspelen in het milieu waarin mensen moeten vechten voor hun bestaan en in staat zijn dat met veel hartstocht en gein te doen. Ga er maar aan staan. Een radicale afsplitsing van een radicale vleugel van de IRA heeft een man aan de muur hangen om gevild te worden. Voor het zover is wisselen beul en slachtoffer moppen en wisecracks met elkaar uit. De moppen zijn nog leuk ook. En de situatie is op een vreemde, gelukkige manier geloofwaardig. Drama en humor liggen vlak naast elkaar. Ik moest denken aan de filmer Ernst Lubitsch, die de meest dramatische scenes met schmaltz en humor kon vertellen. Kijk maar eens naar zijn To be or not to be (1942). Om aan razzia’s te ontkomen spelen goedmoedige joodse toneelspelers nazi’s, die echte nazi’s dwingen jood te spelen. Komische misverstanden, iedere zin is raak,maar o wat gaat het om erge dingen!
Ik was even vergeten hoezeer ik beïnvloed ben door het onophoudelijk kijken naar Lubitsch-films. Martin McDonagh zal dezelfde inspiratiebron hebben gehad. Maar, dacht ik na de film, hij heeft er iets aan toegevoegd. Iets dat doet denken aan ideeën van Fransiscus van Assisi – fysieke pijn ligt dicht bij hoop, woede ligt dicht bij verlossing. Zoals ook in deze film humor dicht bij drama ligt. In ‘Three billboards’ zie je het verhaal waarin de mensen ontdekken dat ze uiteindelijk niet af willen komen van de oorzaak van hun woede, maar van de woede zelf. En dat is een mooie mededeling voor deze tijd.

Hennis

Denkt aan mevrouw Hennis. En aan de kleurrijke manier waarop zij een tijdje geleden in de Tweede Kamer werd afgebrand. Er kwam zelfs een kleine verkleding aan te pas. Iedereen, kamerbreed, mocht zijn puntjes halen voor eigen publiek. En wat stonden ze allemaal aan de goede kant en wat waren ze welbespraakt! Ik probeerde het woord hypocriet te onderdrukken, vooral omdat het zo’n lelijk woord is. Twee jonge militairen worden met ondeugdelijk materiaal eropuit gestuurd. Dat spul is ondeugdelijk omdat het leger geen budget heeft om een deuk in een pakje boter te slaan. Daar gebeurt dan vroeg of laat een ongeluk mee, dat is onvermijdelijk. De minister heeft dingen nagelaten die ze had kunnen doen, maar je kan met behoud van feiten ook zeggen dat ze dingen wel heeft gedaan die blijkbaar niet hebben gewerkt. Bovendien zit ze in een spagaat. De minister is er om het leger én de overheid te verdedigen. En als je het ene verdedigt, krijg je op je kop van het andere. Het is een situatie die je met geen mogelijkheid goed kunt doen. Begrijp me goed, ik vind het altijd leuk als er weer een VVD-minister de fout in gaat, maar deze keer moest ik harder lachen om de kolderieke, pompeuze en heilige verontwaardiging van mensen die het in dezelfde positie niet beter zouden doen. En het zijn natuurlijk leuke scenes.

Pretmoordenaar

Die massaschietpartij van die oude, rijke pretmoordenaar in Las Vegas. Ondanks de hoeveelheid slachtoffers zullen we over vijf jaar ons best moeten doen om ons te herinneren wat dat ook alweer was. Dat komt omdat het vaker gaat gebeuren. Bill O’Reilly, de schreeuwlelijk die zo kon schreeuwen, dat hij een tijdje geleden zelfs bij een populaire schreeuwzender is ontslagen, zei het eigenlijk heel goed. ‘Massabeschietingen’ zei hij, ‘is de prijs voor de Amerikaanse Vrijheid.’ Zo is het. Al zou ik het woord vrijheid vervangen door ‘mentaliteit’. De knoop in het hoofd van de meeste Amerikanen, van links tot rechts, zit hem in het geloof in de superkracht van de persoonlijke soevereiniteit. Omdat ik ik ben, ben ik geweldig. Dat is de onderliggende boodschap van de meeste reclames en de meeste films. Dat geloof botst met de werkelijkheid, waar tegenslag, regeltjes, afhankelijkheid en zachte krachten hun frustrerende rol spelen. Sommigen worden daar compleet gestoord van, voelen zich in het nauw gedreven door de spoken die ze uit woede zelf hebben gecreëerd, en vechten zich een weg naar hun eigen vrijheid. Voeg daarbij de mogelijkheid om makkelijk aan wapens te komen en het is niet zo gek dat een man, die zo gewoon en normaal leek, een grandioos en bloederig slotakkoord aan zijn leven maakt. Misschien heeft hij een paar minuten de vrijheid gevoeld die hij een groot deel van zijn leven nastreefde. Misschien ook sluimerde daartussenin ook de gedachte dat ook dat gevoel fake was. Want er is geen enkel gevoel onverdund.

iHo

Ik was in de stadsschouwburg in Amsterdam . Zag een voorstelling van Oostpool. Het stuk was van Tony Kushner en had een heel lange titel. Het was ook een heel lang stuk en in de stroom heftig uitgesproken conversaties werd heel vaak het woord ‘omdat’ gebruikt. Omdat jij dit en dat en zus en zo bent. Omdat ik vroeger. Omdat je je weer niet in kon houden. Omdat je zo nodig zelfmoord wilde plegen. Omdat ik dacht dat je van me hield. Ze liepen allemaal op blote voeten, geen idee waarom, waarschijnlijk om het smetteloze decor niet te besmeuren. Of alle vloeren in New York hebben vloerverwarming. Veel relatieproblemen van het type waarvan je denkt: wat heb ik daar mee te schaften en een beetje humor werd bereikt door het delibereren van beschaafde grofheden. Opeens viel er een rood doek uit de trekken. God weet waarom.

Ik ben in de pauze naar de trein gewandeld en lees nu het honderd keer betere stuk van Tony Kushner: Angels in America.

Kleine zielen

Ik keek naar Toneelgroep Amsterdam, Kleine zielen. Regie van Ivo van Hove. Die Couperus was toch wel behoorlijk geniaal. De Haagse romans zijn van zichzelf al moderne tragedies. Een goede tragedie zegt altijd iets anders, afhankelijk van de tijd waarin het wordt vertoond. Nu bijvoorbeeld kun je het verhaal van De boeken der kleine zielen lezen als dat van een oude, gehospitaliseerde elite dat dringend aan vervanging toe is door een nieuwe (nauwelijks betere) elite. Het stuk wordt gespeeld op een gigantisch, prachtig tapijt, omringd door stellages die op de Pier van Scheveningen lijken en grote groene planten. Veel mooie en diepzinnige monologen van de acteurs; de personages spreken het diepste van hun ziel uit, en hier en daar een stuk dialoog. De zaal zat vol, maar om me heen werd verschrikkelijk gegeeuwd. Vooral door jongere mensen. De hypnotiserende muziek van Harry de Wit was daar ook debet aan, maar ook, en dat realiseerde ik me onderweg – het publiek pikt de afwezigheid van de dramatische vorm niet meer. Ik geniet nog best wel van de stijl en de klasse van Toneelgroep Amsterdam, maar ik vraag me af of de volgende generaties dat nog doen. En zo zag ik bij het publiek zich iets afspelen dat ook op het toneel werd vertoond. Bob Dylan zong het al. De tijden zijn aan het veranderen.