Michel

12189089_10206874709038822_8807548573900404480_n

Klein fotootje, maar als je goed kijkt zie je als tweede figuur mijn personage Doeke Zandman, gespeeld door Michel van Dousselaere. Vandaag kocht ik De Volkskrant en daarin stond een drie pagina’s lang artikel over hem. Hij lijdt aan een soort dementie, die zijn taalvermogen ruïneert. Het begon er al mee dat hij geen teksten meer kan onthouden en het gaat gestaag een kant op waarop hij geen woord meer kan uitbrengen. Natuurlijk schrik ik van dit nieuws. Het is al een ramp als je als acteur de taal verliest, maar bij een taalgenieter als Michel is dat helemaal verschrikkelijk. Het Land Achter de Slaap was de tweede voorstelling die ik had geschreven waarvoor ik betaald werd. De acteurs lazen het op het moment dat ik nog heftig met het einde zat te worstelen. Niemand nam me dat kwalijk. Michel was zelfs heel genereus. Met zijn stevigheid, en zijn uitbundigheid stak hij zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. Het stuk ging over de wens een liefde te vergeten en de ondankbare taak van een clownesk figuur, die dromend in de droom van Doeke Zandman verzeild is geraakt, het een en ander recht te zetten. Michel begon het dadelijk over Max Frisch te hebben, de Zwitserse auteur die voortdurend zijn eigen ervaringen analyseert en altijd uitkomt op vervreemding en latent geweld. ‘Het gaat over vergeten, al of niet expres, wie je bent,’ vertelde Michel. ‘Neem bijvoorbeeld Stiller. Meneer White in wordt opgepakt  als ene Stiller op verdenking van spionage, maar hij is Stiller niet. Althans dat zegt hij. Om vrij te kunnen komen uit de gevangenis gaat hij onderzoeken wie die Stiller dan wél is. Hij identificeert zich met hem en wordt zelfs verliefd op zijn vrouw. Op het laatst weet je niet meer of hij nou White of Stiller is. Die namen zijn ook zo goed gekozen!’ En dan ging het weer over Gantenbein. ‘Ongelofelijk! Dat gaat over een man die blind is, en als hij getuige is van de moord op zijn eigen vriendin weet hij niet of hij zijn fake-blindheid moet verraden!’ – In hoeverre het werk van Max Frisch met mijn eigen werk te maken heeft weet ik niet, maar Michel heeft me wel warm gekregen voor een soort literatuur dat ik daarvoor nog niet had gelezen. Ik kende natuurlijk wel Biedermann und die Brandstifter, over een man, een fatsoensrakker,  die terroristen op zolder heeft wonen, en uit angst hun terroristische daden keer op keer vergoelijkt. Al hebben we elkaar meer dan twintig (misschien wel dertig) jaar niet gezien, ik ben blij hem te kennen, deelgenoot te zijn geweest van zijn fascinaties en zijn stijl van leven en acteren en vind het spijtig dat het nu zo met hem gaat. Voor de volledigheid: vlnr Kees Wennekendonk, Michel van Dousselaere, Jonna Coolen en Jacqueline Kapteyn.

 

Briljant

Sinds regisseurs de belangrijkste auteurs zijn van toneelstukken, dient de schrijver zich verre te houden van regieaanwijzingen. ‘We maken zelf wel uit of we een acteur van links naar rechts of van rechts naar links laten lopen,’ zeggen ze. En daar hebben ze gelijk in. Maar toch, omdat ook het beeld  deel van de vertelling uitmaakt moet je als schrijver kunnen aangeven wat de sfeer is je voor ogen staat. In amateuristische toneelstukken zijn de eerste aanwijzingen, voor de dialoog begint, meestal van organisatorische aard. Links een deur naar de keuken, rechts een deur naar de slaapkamer. Op de achterwand tuindeuren die leiden naar een tuin.’ Dat soort werk. Maar nu lees ik de eerste zin van de regieaanwijzing van Oscar Wilde in An Ideal husband, en het is meteen een zin die je, alsof je door een raket bent afgeschoten,  binnen in de wereld van zijn verhaal brengt. Die meteen de sfeer oproept, met de mensen die we zullen zien, de avond die we zullen beleven. Een heerlijke rake zin.  Je zult geen van de acteurs die zin horen zeggen, maar je zult hem voelen door alle poriën die bij een goed kunstwerk open staan. In het decor, in de manier van spelen, in het licht, in het geluid, in de subtekst, in de programmaboekjes … Het roept feest op en tegelijk een voorafschaduwing van verval en decadentie.

De zin luidt: The room is brilliantly lighted.

En dan een dialoog van mooie vrouwen, op zoek naar mooie rijke kerels: ‘I should have some serieus purpose in life. So I come here to try to find one.’ – De ander kijkt rond en zegt: ‘I don’t see anybody here tonight whom  one could possibly call a serious purpose. The man who took me in to dinner talked to me about his wife the whole time.’

En dat allemaal brilliantly lighted!

Theaterfestival

Drie jaar geleden was ik bij het Theaterfestival. Ik houd me bezig met de vraag of theater ‘actueel’ moet zijn.

Nederlands Theater Festival: Orlando. Van Het Toneelhuis. Sommige voorstellingen confronteren, andere ontmaskeren, weer anders stellen iets aan de kaak – deze voorstelling doet dat allemaal niet. De roman van Virginia Woolf wordt gewoon verteld door de zachte, vriendelijke stem van Kathelijne Damen. Sleept ons mee in een sprookjesachtige, taalzwangere fantasie van een vrouw, die, blijkt, heftig lijdt aan de tijd. Het verleden als een beeldschone roman, het heden als een vuile, smerige heksenketel. Geen voorstelling waarbij revoluties zullen uitbreken of kabinetten door gaan vallen. 

Daarna liep ik de drukke stad in. De zomer is afgelopen. De jas moet weer aan. Het is begonnen te regenen.

Ook zag ik een voorstelling van Sarah Kane, een schrijfster die veel Nederlandse toneelschrijvers heeft geïnspireerd.

Nederlands Theaterfestival: Psychosis 4.48. Het laatste stuk van Sarah Kane over haar eigen, op handen zijnde zelfmoord. Een monoloog. Het stuk begint met: ‘Ik heb er geen zin meer in. Was ik maar dood. Ik wil niemand zien. Ik doe alles verkeerd. Als ik ga slapen hoop ik dat ik niet wakker word.’ En het eindigt, zoals te verwachten, met ‘eindelijk rust’. Daartussen ontstaat een zo sombere sfeer dat ieder grapje welkom is. Het personage wordt verliefd op haar therapeut, die als enige vriendelijk tegen haar heeft gedaan. Als de therapeut zegt dat hij niet verliefd op haar is, wordt de eindfase van de wanhoop ingezet.

Destijds schreef ik:

Ik hou niet van stukken over wanhoop. Ik wil niet meer weten hoe slecht we er aan toe zijn. Ik weet het al. Je krijgt er goeie literatuur van, maar ik heb er gewoon even geen zin in.

-Maar dat zegt meer over mij, toen, dan over het stuk en de uitvoering. Die was indrukwekkend.

 

 

Soprano’s

De afgelopen weken ‘The Soprano’s’ nog eens helemaal ge’binged’. Alle seizoenen. Van fade-in tot de laatste, dramatische fade to black. De eerste van een soort tv-series dat mensen avonden- en nachtenlang aan het scherm gekluisterd hield: ‘Vooruit, nog één aflevering dan…’ Ik genoot van de verhaallijnen maar nog meer van de zwier waarin de scènes aan elkaar werden geschakeld. Vrij losjes, a-chronologisch – iedere scene was een soort sketch over het karakter van een personage, of over een moeilijke relatie, of over een onderhandeling en soms een stukje rauw geweld. ‘The Soprano’s’ liet me op een andere manier naar mijn eigen werk kijken en is zeker van invloed geweest op de manier waarop ik de serie ‘Boven Wotter’ schreef.

Maar is het bijna tien jaar na de laatste aflevering nog steeds leuk?

Veel vondsten zijn inmiddels gemeengoed geworden. De cinematografische, ‘europese’ introducties, de langzame ontwikkeling van de personages, meer focking straattaal. Nu is het genre van de langlopende serie al zo ver doorontwikkeld, dat je eigenlijk kunt zeggen dat het z’n beste tijd heeft gehad.Het geld heeft het weer overgenomen van de lust om eens  iets anders te vertellen. In het begin was het voor de makers op een houtje bijten: er was maar twee miljoen per aflevering beschikbaar. (Daar maken wij hier overigens zes series van). De serie  dreef op de creativiteit van de makers en de ambitie van de vrij onbekende acteurs. Er werd behoorlijk wat risico genomen, maar dat was mogelijk omdat er niet zo veel geld verloren was als het mis ging. Maar in dit unieke geval ging het niet mis. Zo hoefden de acteurs niet mooi te zijn en niet jong en aantrekkelijk. Zo kon een dikke man sexy worden. Zo konden ze experimenteren met de muziek en met literaire en cinematografische verwijzingen. Het was fun. En ik zag het er nog steeds aan af.

Een verhaal is niet het leven zelf, zei Robert McKee, maar een metafoor voor het leven. Zo is het. Bij de opkomst van Tony Soprano hoort hoogmoed en dan ondergang. Het echte leven is grilliger, betekenislozer en stompzinniger. Hoewel. Het eind van de personages blijkt zich op de een of andere manier door te zetten in de acteurs. Jim Gandolfini, die Tony Soprano weergaloos speelde, overleed een paar jaar geleden tijdens zijn vakantie in Rome aan een hartaanval. Hij had pas zijn eerste grijze haren. Carmela, Edie Falco, heeft in nog wat goeie series gespeeld, maar kampt nu met borstkanker. Jamie-Lyn Sigler, die Meadows speelde lijdt aan MS en Robert Iler, de verwende zoon Anthony Junior, is aan lager wal geraakt. Als je met die wetenschap de serie weer bekijkt, krijgt alles nog veel meer diepte.

 

Slachtdialogen

Ik lees op dit moment Wolf Hall van Hilary Mantel. Als je eenmaal aan de elliptische stijl gewend bent is het prima te doen, vooral vanwege de  gewelds-scenes. Een moord, een brandstapel, een stevige vechtpartij. Maar ook een ander soort scene, die verband houdt met al dat geweld.  Een scene die weliswaar in taal wordt uitgevoerd, in de vorm van een gesprek, maar waar fysiek geweld en onrecht aan ten grondslag ligt. Ik noem het bij gebrek aan beter de Slachthuisscone. Een andere term is welkom.

Het is  de scene waarin een zuiver onschuldig personage tot staatsgevaarlijke vijand wordt verklaard door middel van een gesprek. Met als gevolg dat je uit de gratie valt en je leven niet langer zeker bent.  Bekentenissen worden ontlokt met gefabriceerde bewijzen, zinnen worden expres verkeerd geïnterpreteerd, woorden worden verdraaid. Een kat-en muisspel met woorden. De manier waarop een  bedrijfsleider van een oplettend personeelslid afkomt, die onregelmatigheden in de administratie heeft ontdekt. De manier waarop krijgsgevangenen tot bekentenissen worden gedwongen.

Ik stel me bijvoorbeeld een Turkse groenteboer voor, vriendelijk voor iedereen, op handen gedragen door de buurt. Op een ochtend krijgt hij bezoek van een paar mannen. Tot zijn eigen verbazing blijkt hij aan het eind van de ochtend een Gülen-aanhanger, een terrorist en een vijand van het Turkse Volk blijkt te zijn. Het gevolg van dit gesprek laat zich raden. Vroegere vrienden gaan hem vanaf dat moment ontwijken en in de nacht worden zijn ruiten ingeslagen, de winkel overhoop gehaald, of er worden zo maar drugs aangetroffen, die hem meteen een bezoek van de politie opleveren..

Dat gesprek. Van: ‘Goedemiddag heren wat kan ik voor u betekenen.’ ‘Als ik jou was zou ik ons maar niet zo schijnheilig goedemiddag wensen, want je zaak staat er slecht voor.’ tot ‘Maar dat heb ik helemaal niet gedaan’ ‘Dat heb je vaker gezegd, klootzak, je herhaalt je zelf. En je weet net zo goed als ik dat je staat te liegen.’ – dat is de slachtdialoog. Het moreel van een in wezen goed mens wordt volkomen afgeslacht. Je vindt deze technieken in de Romeinse literatuur, denk ik,  en in Jakobijnse toneelstukken. Ze zijn zo oud als de wereld, en bloedstollend. En, ondanks de grofheden, verfijnd, zoals een stierenvechter danst met een stier. De spanning zit hem in: ‘Houdt de Onschuldige, ondanks alle verbale geweld, zich staande?’ (Nee.) In de roman Wolf Hall moet de hoofdpersoon zijn eigen vrienden aan dergelijke verhoren onderwerpen, wat de scene een extra dimensie geeft.

Vaak is een verschuiving van macht de achtergrond van dit soort gesprekken. Het is oorlog op gespreksniveau.Wie het recht heeft een kamer binnen te komen en ongestraft ongehoorde grofheden te uiten, heeft de slag eigenlijk al gewonnen. Achter elk personage staan groepen van medestanders. Meestal met een duidelijke ‘mening’ – een mantra die door de factie wordt ingegeven. Trump-aanhangers intimideren aanhangers van mevr. Clinton met de volgende mantra: Ze is gek, ze is een bedriegster, ze moet in de gevangenis.

Hoe dan ook, de bedoeling is met dit soort scènes de lezer of toeschouwer het bloed te laten koken. En ik hoop dat het mij een paar keer in het leven lukt dat te schrijven.

Cultuurdebat

Ik kwam jaren geleden naar De Balie voor een debat over cultuur uit andere streken. Ik hoopte van alles te weten te komen over hedendaagse Chinese prentkunst, modern theater uit het Midden-Oosten, elektronische muziek van de Inuit en de Colombiaanse avant-garde. Het woord ‘debat’ had me al moeten waarschuwen, want een cultuurdebat gaat niet over cultuur. Een cultuurdebat gaat over politiek van het engste soort.

Ik denk dat het er in het begin nog wel een paar Irakese kunstenaars werden geciteerd, maar al gauw werd het onderwerp terzijde geschoven door vragen uit het publiek.

‘Waarom gaat het weer over de Irakese elite?’ vroeg een jonge man zich hardop af, ‘en waarom gaat het nooit over de ellende die wij Koerden meemaken?’

‘Het gaat al genoeg over de Koerden!’ riep een andere jongeman. ‘Koerden en hun zogenaamde ellende.  Alsof wij Turken niet het recht hebben onszelf te verdedigen.’

De voorzitter greep in. Hij zei: ‘Laten we ons bij het onderwerp houden. Zoals de filmer Abbas Kiarostami zei…’ Maar hij kon zijn zin niet afmaken. Een andere  jongeman stond boos op. ‘Turken die het recht hebben zichzelf te verdedigen? Ha ha! — En de Armeniers dan?’

Godallemachtig. Ik begon me stierlijk te vervelen. De volle zaal begon naar zweet te ruiken. Boos zweet. Ik dacht: Ik hoor dit nog een tijdje aan, en als het niet verandert zeg ik er wat van.

Een Marokkaan gooide er nog een schepje bovenop. Hij stelde dat de Joden er op uit waren alle arabieren met wortel en tak te vernietigen. ‘We zouden het hier over cultuur hebben!’ mopperde een meneer in het publiek. Ik wilde bijna applaudisseren.  ‘Precies!’ riep de Marokkaanse jongeman. ‘De joden helpen de Arabische cultuur om zeep!’

Ik wist me van verveling geen raad meer. Ik hoorde Russen tegen Tsjetsjenen uitvaren, ik hoorde uiteraard ook Palestijnen tegen Israëliërs te keer gaan en ik had nog even de illusie dat er iemand op zou staan die zei: ‘als we het nou gewoon over kunst gaan hebben, als we met elkaar tot een nieuwe, even globalistische als individuele kunstuitingen kunnen komen, als we, net als bij de wetenschap, door samenwerking en geïnspireerde wedijver tot nóg mooier en beter in staat zijn – zouden dan  al die diepe regionale conflicten niet eens kunnen ophouden?’ Maar die hoop gaf ik op, toen iemand zei: ‘We hebben het hier wel over cultuur, ja? Niet over kunst of zo, want dat begrijpt toch niemand.’

Toen na de pauze dansende derwisjen optraden, zat de zaal nog maar voor een kwart vol. Ik liet me meevoeren in de trance, mijn gedachten werden mild en vloeibaar.  Ik koester weinig illusies over rol van de kunst voor de wereldvrede, maar ik heb een pesthekel aan dat politieke gezeik, de verbale versie van nationalistisch vlaggengezwaai. En ik weet dat dit een vrij land is, dat ieder het recht heeft te zwaaien met wat -ie maar wil, maar ik heb het recht me er kapot aan te ergeren. En om daarna mijn schouder op te halen. Dit is nu eenmaal de wereld waarin we leven.

 

Solidair

Ik ging apart naar een Havo waar ze kunstgeschiedenis als vak hadden. Daarvoor moest ik negentien kilometer rijden met de brommer. Het vak was prachtig van inhoud, maar werd helaas gegeven door een oudere leraar die geen orde kon houden. Telkens als hij met zijn rug naar de klas stond om iets aan te wijzen op een renaissance-kunstwerk (iets wat me heftig interesseerde) waren er jongens die blaadjes uit hun multomap scheurden, er propjes van maakten erop het hoofd van de leraar kunstgeschiedenis mikten.

Die dag draaide hij zich woedend om en zei: ‘Goed! Wie deed dat?’

Niemand natuurlijk.

‘Nog één keer. Wie deed dat? Als niemand de verantwoordelijkheid neemt deden jullie het allemaal en dan moeten jullie na het laatste uur terugkomen.’

Hoongelach was zijn deel.

‘Goed,’ zei de leraar kunstgeschiedenis, ‘dan blijven jullie allemaal maar na!’

Shit.

In de tussenliggende uren wierp een anders wat luie jongen, die een voorkeur had voor te korte t-shirts, zodat hij altijd met een blote buik rondliep, zich ineens op als verzetsleider. In de pauze bevond hij zich, druk pratend, in het midden van een groep klasgenoten met verbeten gezichten.

‘We komen geen van allen terug,’ bezwoer hij.

De meeste van mijn klasgenoten konden zich daar wel in vinden.

Maar ik hoorde bij een groepje dat wel degelijk terug wilde komen. Ik was wel nieuwsgierig wat de leraar kunstgeschiedenis te vertellen had over de renaissance, als hij even geen ordeproblemen had.

Daardoor ontstond er een strijd tussen een minderheid – wij – en een meerderheid – de opstandelingen. De Verzetsleider liet zich zijn rol niet afpakken en riep dat ons gedrag Niet Solidair was.

Ik zei tegen mijn vrienden dat solidair zijn niet hetzelfde is als meehuilen met de wolven in het bos. Niettemin helden mijn vrienden over naar wegblijven. De redenen die ze daarvoor aangaven waren vaag en verschillend, maar in de grond van de zaak werden zij geïnspireerd door groepsdruk. In feite zat ik die namiddag als enige tegenover de leraar kunstgeschiedenis, een en al oor voor de renaissance.

‘NSB-er!’ riep de Verzetsleider me na, nog jaren nadien. ‘Dat doe je niet. Met je klasgenoten hoor je solidair te zijn!’ ‘Werkelijk?’ antwoordde ik, als ik in mijn eentje was. ‘Is de Kunstgeschiedenisleraar dan een nazi? En is solidariteit niet iets wat je hebt met mensen die het slecht hebben getroffen? Gaat dit niet eerder over een verknipt soort groepsdwang? Sta jij niet de geschiedenis en de waarheid te vervalsen en om te buigen, alleen om een positie in de pikorde van de groep te krijgen?’ – Maar dat zei ik nooit hardop. Ik liet al die jaren maar welgevallen dat hij soms naast me kwam staan en ‘Gluiperd.’ siste. En ‘Ongelofelijke klootzak.’

Wat wél gebeurde, toen ik in mijn eentje tegenover de leraar Kunstgeschiedenis zat, met een afbeelding van de Sixtijnse Kapel in het zicht, was dat hij zei: ‘Ik ga niet alleen aan jou les zitten geven. Ga maar naar huis.’

Tweede versie

Het papier is vol. Het ziet er niet uit. Maar het moeilijkste werk is gedaan en het is in het creatieve proces de belangrijkste fase.  Tegelijk is het iets dat je met goed fatsoen aan niemand kunt laten lezen, want er mankeert van alles aan. Ik heb wel eens zo’n versie laten lezen door een regisseur en producent in de veronderstelling dat zij professioneel genoeg zijn om er doorheen te kijken, om de waarde er van in te zien. Dat was niet het geval. ‘Wat is dat voor rotzooi!’ riepen ze geschrokken uit, en ik werd van het project gehaald. Het gigantische voordeel van deze eerste versie, deze kladversie, deze kop-tegen-de-muur versie is dat het er hoe dan ook is en dat je er nu lekker aan kunt werken.

Vrijheid

Soms is het goed om een script met z’n tweeën te schrijven. Dan kan de een de puinbak  van de ander voor kennisgeving innemen en zeggen: ‘Ik begrijp wat je bedoelt, maar volgens mij kan het scherper, grappiger of schrijnender worden opgeschreven’.  In de meeste gevallen ben ik helaas beide personen zelf. Het is dus belangrijk om met hernieuwde lust en energie aan de taak te beginnen.

Mijn doel is om de grootst mogelijke vrijheid en het grootst mogelijke plezier aan het werk te beleven. Er is al ellende genoeg op de wereld. Zelfs in de tweede versie sta ik mezelf óók toe omwegen te bewandelen, een nieuwe laag er aan toevoegen — het is niet alleen maar weghakken en bijpoetsen, maar ook en nog steeds er bij avonturieren. Vaak is de tweede versie nog langer dan de eerste.  Maar ik schrap ook dingen, hoewel ik me daarbij probeer te beperken tot de dingen die er écht niet bij horen en dingen waar ik me voor schaam, zo slecht.

Wandeling

Het heeft me mijn hele loopbaan als toneelschrijver gekost om van het gevoel van zinloosheid af te komen, die tijdens een eerste versie op je rust, namelijk de gedachte: ‘Waarom zou ik dit opschrijven als ik het later toch weer in de tweede versie ga schrappen?’ – Ik moest mezelf aanleren te bedenken dat de functie van een eerste versie iets totaal anders is dan die van de tweede. Een eerste versie is geen bouwtekening, waar alles al in idee aanwezig is, waar je al weet waar alles komt, tot op de deuren en de stopcontacten nauwkeurig. Nee, die eerste versie moet je zien als een wandeling naar een nog onbekende stad. Bij de tweede versie ken je de weg al een beetje en kun je al veel doelgerichter zijn. En bij de derde versie ken je de weg door en door.

Aaron Sorkin volgt de volgende methode: Als hij een eerste versie af heeft print hij het uit, legt dat naast zijn toetsenbord en begint opnieuw te typen. Hij bewerkt het bestand niet, nee, hij begint gewoon opnieuw. Iedere zin komt weer langs, iedere zin wordt gewikt en gewogen. Als die versie klaar is en naar zijn zin, typt hij het nog een keer op, maar dan uit zijn hoofd. Inmiddels zit het stuk dan al zo geramd, dat dat makkelijk gaat.

Beginner

Even wat anders: Best gek dat ik terugval op iets dat eigenlijk een beginnerscursus is. Ik ben niet echt een beginner. Maar ik vind, veel anders dan beginnerscursussen volgen heeft geen zin, de algemene dingen over plot en personage spanning en scènes zijn redelijk snel geleerd. Net als bij een gitaar. Die akkoorden heb je snel genoeg onder de knie. Maar dat is nog niet echt spelen. Dat duurt de rest van je leven om te leren en dat doe je hoofdzakelijk zelf. Door de kunst van anderen af te kijken, door kritisch te zijn en door om te gaan met mensen die er verstand van hebben. Het is heerlijk om af en toe weer naar dat basisniveau terug te keren, om iemand in andere bewoordingen  te horen vertellen wat ik al weet. Want soms glipt er ook iets nieuws doorheen. Een heel script overschrijven lijkt me bijvoorbeeld geen gek idee.

Dit waren vier posts, die er over gingen hoe van lege pagina’s naar volle pagina’s van een zekere kwaliteit te komen. Het onderliggende motief was de werkhouding van de schrijver over de beperkingen die je je oplegt en welke ruimte en vrijheid je kunt nemen. En dat allemaal naar aanleiding van de masterclass van Aaron Sorkin. Kost negentig dollar en het is best leuk. Vooral als je fan bent van A few good men The social Network en The West Wing.

 

Eerste versie – het einde

Als het middendeel gelukt is, als je het gevoel hebt dat de bal recht voor het doel ligt, dan is het eind het stuk waarbij ik mezelf mag belonen. Al die mooie beelden die ik heb bedacht, de ontroerendste zinnen, ik mag  schieten.

Tijdens het moeilijke werk aan het midden, doemt er, als het goed gaat, een beeld van het einde vanzelf op. Het is inderdaad vaak een beeld. Wie tekst schrijft moet in beelden denken. Schrijven doe je met je fototoestel.

Het echte thema

Er komt ook iets anders te voorschijn tijdens het moeilijke werk aan het midden. Het thema. Niet zozeer het thema dat je aan het begin met jezelf en je opdrachtgevers of met wie dan ook hebt afgesproken: ‘we maken een verhaal over de economie, de TTIP en over de grote volksverhuizingen van dit moment’, maar het échte thema. Datgene waarvan je niet wist dat je het wilde zeggen. Als je het beeld kunt vinden dat het echte thema verenigt met een voor jouw gevoel belangrijk beeld, dan zit het goed. Bij mij komt het vaak neer op het thema van een onmogelijke liefde. Dat is nooit waar het bij om begonnen is, ik denk nooit: Hoe krijg ik het thema van de onmogelijke liefde er in  verwerkt? – maar het sluipt er tijdens het werk vaak gewoon in.

In de masterclass van Aaron Sorkin zit Sorkin aan tafel met een stel jonge schrijvers. Het is eigenlijk best goeie televisie wat je dan ziet. Aaron Sorkin is altijd gekleed alsof hij onderweg is naar de golfclub, nogal kakkineus, wat enige afstand creëert, maar in deze afleveringen zie je hem hard aan het werk. Hij bonkt met zijn hoofd op tafel, vertelt flauwe grappen (vaak ten koste van de machteloze jongelui, die hopen een stap in hun carrière als schrijver te kunnen maken en die dus afhankelijk van hem zijn), zegt hele tijden niks en soms zie je pure wanhoop in zijn ogen. Je ziet de strijd van een schrijver, met zijn geheugen, met zijn -vindt hijzelf- gebrek aan intelligentie, met zijn tekortkomingen. Hij staat plotseling op en gaat dan weer zitten, hannest met zijn beide brillen en drinkt zonder dorst te hebben. Dan gaat hij rechtop zitten, slaat energiek met de vlakke hand op de tafel en schrijft op een kaartje: Scene 1: C.J. geeft een persconferentie. Opluchting alom.’Ik doe in pratende mensen, die intelligenter zijn dan ik,’ zegt Aaron Sorkin. Zijn techniek bestaat er uit die mensen onder de grootst mogelijke stress te zetten, waardoor elke mogelijke persoonlijke relatie onder druk komt te staan.

De relatie met het begin

Het einde is terug te koppelen naar het begin. Je begint met Roodkapje en haar moeder. En je eindigt met Roodkapje en de Moeder (En de grootmoeder en de jager) Je begint met een Assepoester en een vader, je eindigt met een Assepoester en een prins. Soms zijn we terug bij het begin (maar dan anders) en soms is het einde een volmaakt contrast met het begin: een mysterie opgelost, een misdaad gestraft, een liefde gevonden. Van droefenis naar vreugde, van vreugde naar droefheid, van gevangenschap naar bevrijding. En soms, en dat zijn de chicste, is het gemengd. Ja het mysterie is opgelost, maar… (ten koste van de integriteit die de held in het begin nog wel had; haar huwelijk is over; de misdadiger is zijn beste vriend).

Ik zie het eind ook graag als: Er is nog maar één ding dat moet gebeuren. Is hij op tijd bij zijn moeder om te zeggen dat vader gered is? Kan zij, voor het afscheid, de dingen nog zeggen die gezegd moeten worden? Je verhaal is teruggebracht tot éen vraag, die te beantwoorden is met óf een ja óf een nee. Zal Roodkapje overleven? Zal de prins Assepoester weten te vinden? Zit het antwoord van het mysterie werkelijk in de doos van John Doe? Zal Rocky Balboa de wedstrijd winnen? Je hebt dat moeilijke midden nodig om die éne vraag belangrijk te maken. Als de manipulaties van de wolf er iet waren geweest had het ons niets uitgemaakt of Roodkapje zal overleven of niet.

Twee glazen wijn

Als ik het einde in mijn hoofd heb, kan ik het razendsnel opschrijven. Het kost me geen enkele moeite. Vaak is het ook korter dan ik me het oorspronkelijk had voorgesteld. Gewoon en kwestie van er mee stoppen voor het ondraaglijk sentimenteel gaat worden.  Ik kan het zelfs opschrijven nadat ik een glas wijn heb gedronken. En als ik een paar uur later klaar ben, drink ik, enigszins verbaasd over dat het nu ineens zo ver is, nog een glas. Want de pagina’s zijn vol.

Eerste versie – Het midden

Verder met de strijd tegen de lege pagina’s.

Als je het begin van het verhaal eenmaal hebt, krijg je een ander soort probleem. Het middendeel van een verhaal is schizofreen. Een afmattende strijd tussen gevoel en verstand. Aan de ene kant moet je volhouden wat je in het begin hebt neergezet. Je hebt a gezegd en moet nu b zeggen, tot en met z. Aan de andere kant moet het iets veranderen. Ongemerkt moet het zaad van die verandering worden geplant. Het is het stuk waar je het meest over na moet denken.

De weg naar de vreselijke waarheid

George en Martha schelden elkaar de huid vol, zijn dronken en moe en blijken twee jonge mensen te hebben uitgenodigd (begin) De jonge mensen komen, het echtpaar waarschuwt nog zó – dit wordt geen leuk bezoeken, maar de jonge mensen blijven toch. Dan moeten ze het zelf maar weten. Het wordt een gedenkwaardige nacht. (Midden)  De pesterijen zijn er nog steeds, nemen zelfs in intensiteit toe, maar Albee, de schrijver, weet dat George en Martha, die zich hebben verschanst in hun narcisme, juist door de aanwezigheid van de jonge mensen, de afschuwelijke waarheid over zichzelf moeten prijsgeven. Dat is de transformatie. Het midden is er voor die transformatie zoveel mogelijk tegen te houden. Wanneer die wordt ingezet (George en Martha gaan een afschuwelijke waarheid, een levenslange leugen, over zichzelf prijsgeven) zijn we aan het eindspel begonnen.

Transformatie

Aristoteles zegt in zijn Poetica: Het midden volgt uit het begin en uit het midden volgt het einde. (Ja hehe) Aaron Sorkin zegt in zijn masterclass dat de Poetica van Aristoteles het enige how to write boek is dat er toe doet. Dat lijkt mij ook, vooral wat betreft de bouwstenen van drama en fictie. Maar Aristoteles analyseerde achteraf,  de stukken bestonden al en van gelukte stukken kun je makkelijk zeggen waarom ze gelukt zijn en van mislukte stukken kun je achteraf makkelijk zeggen waarom ze mislukt zijn. Achteraf kun je altijd je gelijk halen.  Hij verplaatst zich niet in de gedachten van iemand die alles nog moet verzinnen.

Drie mensen staan naast elkaar. Ze houden elkaars hand vast. De eerste houdt met zijn vrije hand een witte vlag vast, de derde houdt met zijn vrije hand een zwarte vlag vast. Iets in de figuur in het midden heeft er voor gezorgd dat de witte vlag zwart is geworden.

Het einde is, als het gelukt is, terug te koppelen naar het begin. Dan zie je wat er is veranderd, en ook wat hetzelfde is gebleven. Dat betekent dus dat het midden, voornamelijk, naast veel anders, een transformatie is. Roodkapje begint met een grote gevaarlijke wolf en eindigt met diezelfde wolf, die dood is en dus niet langer gevaarlijk. Transformatie. Oidipous begint als held en eindigt als schurk. Transformatie. Walter White begint als sullige leraar en eindigt als drugsbaron.  Chic is het als de protagonist verandert of op z’n minst een innerlijke transformatie doormaakt, maar eigenlijk is het afknallen van de antagonist, de boef, voldoende.

Genres

Genres hebben hun eigen ‘middens’. In misdaaddrama vieren we de opkomst en succes van de schurk en planten we tegelijk het zaad van zijn ondergang. Sprookjes hebben de ‘drie keer’-formule. Drie keer doet de wolf een poging om in het huis van de zeven geitjes te komen. In het soort gezinsdrama-toneelstuk waar ik geen ruk aan vind bestaat het midden uit pogingen de waarheid over ‘mama’ boven tafel te krijgen. Fantasy: De Zoektocht naar de Ring is een midden. De reis van de held volgens Joseph Campbell: een netwerk van helpers en poortwachters.

Moppen en trucs

Ik denk bij het midden ook aan een mop of een goocheltruc. Moppen en goocheltrucs: story telling op microniveau. Het midden is de wapperende hand van de goochelaar, die ieders aandacht trekt, en hem daardoor in staat stelt met de andere hand alvast de zakdoek te verbergen die hij later op die plek nodig zal hebben. Het midden is de Engelsman, de Duitser, de Fransman en de Belg in een mop. De eerste drie zijn er voornamelijk om de Belg de ruimte te geven iets doms te doen. Als het goed is ‘klimt’ het verhaal bij elk personage: De Engelsman is nog vrij gewoon, Bij de Duitser wordt het al gekker en bij de Fransman is het helemaal gek. Je denkt: Hoe komt die Belg daar overheen?  En bij de Belg blijkt het allemaal anders en een stuk absurder  te zitten. Pats! Ha ha ha.

Jazz

Ondanks de intellectuele uitdaging die het midden me stelt wil ik met toch los en vrij voelen om te schrijven wat er in me op komt. Ik kan geen nieuw element meer toevoegen, zeker na de helft niet meer. Geen nieuw personage, geen nieuw decor en toch moet alles er fris en nieuw uit blijven zien. Ik vind dat een heidense klus. Niet alleen de personages, maar ikzelf bevind me dan ook in een crisis. soms, door tijdgebrek, kom ik er niet uit en dan lever ik iets in waar ik me later voor schaam. Maar ik weet: als het midden gelukt is, heb ik het gered. Vaak denk ik aan jazzmuziek. De akkoorden  liggen vast, daarbinnen mag ik mijn hart te barsten improviseren. Valse noten mogen, graag zelfs, als ik maar op tijd uitkom bij de noot die helemaal in de harmonie past.

Maar o man, deze pagina’s zijn het allermoeilijkst te vullen.