Herfstgedachten

‘De herfst valt vroeg dit jaar’ – Deze zin ging als een soort mantra door mijn hoofd, toen ik op de fiets zat. ‘De herfst valt vroeg dit jaar, de herfst valt vroeg dit jaar’. Wat een mooie zin, dacht ik. Zouden alle zinnen met jaargetijden en zonder woorden die verwijzen naar menselijke beslommeringen mooi zijn? ‘De lente kwam dit jaar als geroepen.’ ‘De zomer was ongelofelijk heet.’ ‘Het was winter geworden.’
Toen dacht ik: ‘Valt?’ Valt een herfst? Valt een herfst zoals een avond valt, of zoals een glas van de tafel valt?
Maar dat de herfst vroeg valt dit jaar, is waar.

Een kleine tragedie

Bij elk zichzelf respecterend treinstation is een fietsenstalling met een goeie fietsenmaker. Bij ons is dat Kick Fakkeldij en zijn zoon. Kick is een goeie fietsenmaker zoals een dierenarts een goeie dierenarts kan zijn. Het gaat bij deze vakmensen niet echt over dieren en fietsen, het gaat over de mensen.

Toen ik net in Naarden woonde kon je je fiets buiten het station parkeren. dat heb ik tien keer gedaan, toen was -ie gestolen. Je kent die radeloze woede wel die zich dan van je meester maakt. Ik liep naar het hokje van Fakkeldij en ik blies mijn stoom af. Kick hoorde het met het grootste begrip aan en deed precies het goede: hij treurde met me mee en verkocht me géén fiets. Een week later, toen ik uitgerouwd was, kocht ik natuurlijk wél een fiets. Hij herkende me en liet me een aardig tweedehandsje zien waar ik voorlopig even mee vooruit kon. ‘Ik vind het zelf een heel aardig dingetje,’ zei Kick. Ik vond de prijs schappelijk. Het is nu vijftien jaar later en ik fiets er nóg op!

Intussen veranderde er veel. De gemeente wilde de fietsen niet langer voor het station zien, dus moesten er nieuwe fietsenstallingen gebouwd. Er kwam een heel nieuw gebouw naast het station te staan, speciaal voor de fietsen en Kick zijn ‘Fietspoint’. De opening was met feest en champagne. De zaken gingen goed, Kick en zijn personeel konden het reparatiewerk nauwelijks aan.

Ik parkeer mijn fiets er honderden keren per jaar. Kick bleef mij en mijn sportaatje herkennen, altijd een groet, altijd een gebbetje. Je zag hem geen groter plezier hebben als hij kinderen een nieuwe fiets aanmat. Je kon ook altijd op begrip rekenen als er iets mis ging. Toen mijn fiets eens een stationnetje verder op een hangslot stond, waarvan de sleutel definitief zoek was, kreeg ik zomaar een betonschaar van hem mee. ‘Mondje dicht.’ zei hij.

Zo’n man die je altijd het gevoel geeft dat je zijn favoriete klant bent. In moeilijke tijden kun je dat nou net even nodig hebben.

De afgelopen weken zag ik Kick en zijn zoon de hele winkel leeghalen. De stellingen met fietsbanden en regenpakken, voor en achterlichten, sloten, de nieuwe fietsen, de reparatiefietsen – alles werd afgebroken, losgeschroefd en in een oude bestelwagen afgevoerd.

Als je vroeg wat er gebeurde, zei Kick: ‘We gaan verbouwen!’ Maar dat was niet waar. Dat móest hij zeggen. Van de Nederlandse Spoorwegen. Om geen boze klanten te krijgen.

Want de Nederlandse Spoorwegen hebben in hun zichzelf toegedichte wijsheid besloten dat Kick daar weg moet. Want zie de statistieken! Wie heeft er tegenwoordig nog behoefte aan een goede fietsenmaker? En de stalling? Zie de technische vooruitgang! Die kan ook geregeld worden met pasjes, automatische deurtjes en toezicht houdende camera’s.

Dus een paar dagen geleden zag ik Kick voor het laatst in die grote, nu volkomen lege fietsenwinkel. Hij deed waar hij voor was. Hij plakte een bandje. Gewoon zoals we dat thuis ook doen, fiets op de kop, stukje schuurpapier, tube solution.

‘Ik ben hier 99,999 keer volmaakt gelukkig naartoe gegaan,’ zegt hij met vochtige ogen. ‘Alleen de laatste twee dagen is het niet te doen…’

Ik geef hem een hand en dank hem voor alles. Ik fiets naar huis onder de donkere wolken van een, vind ik, alles bij elkaar grimmig wordende wereld.

Kleine zielen

Ik keek naar Toneelgroep Amsterdam, Kleine zielen. Regie van Ivo van Hove. Die Couperus was toch wel behoorlijk geniaal. De Haagse romans zijn van zichzelf al moderne tragedies. Een goede tragedie zegt altijd iets anders, afhankelijk van de tijd waarin het wordt vertoond. Nu bijvoorbeeld kun je het verhaal van De boeken der kleine zielen lezen als dat van een oude, gehospitaliseerde elite dat dringend aan vervanging toe is door een nieuwe (nauwelijks betere) elite. Het stuk wordt gespeeld op een gigantisch, prachtig tapijt, omringd door stellages die op de Pier van Scheveningen lijken en grote groene planten. Veel mooie en diepzinnige monologen van de acteurs; de personages spreken het diepste van hun ziel uit, en hier en daar een stuk dialoog. De zaal zat vol, maar om me heen werd verschrikkelijk gegeeuwd. Vooral door jongere mensen. De hypnotiserende muziek van Harry de Wit was daar ook debet aan, maar ook, en dat realiseerde ik me onderweg – het publiek pikt de afwezigheid van de dramatische vorm niet meer. Ik geniet nog best wel van de stijl en de klasse van Toneelgroep Amsterdam, maar ik vraag me af of de volgende generaties dat nog doen. En zo zag ik bij het publiek zich iets afspelen dat ook op het toneel werd vertoond. Bob Dylan zong het al. De tijden zijn aan het veranderen.

Hoe de verhalen de wereld in komen

doctor-faustus-date-1636-g37wnj

Volgens mij heeft iedereen zich wel eens afgevraagd, na het horen van een mop, waar die eigenlijk vandaan komt. Degene die ‘m vertelde heeft het van een ander, die heeft het weer van een ander en die weer van een ander. Soms heeft iemand ‘m in een boekje gelezen, maar ook dat boekje is weer geschreven door een ander,  die hem ook weer van een ander heeft gehoord. Het antwoord op die vraag kan van alles zijn. Het was iets grappigs dat echt is gebeurd, iets uit een boek, een gekke inconsequentie in de taal, die iemand is opgevallen, de naïeve opmerking van een kind die onbedoeld grappig was, of een vondst van een cabaretier, die een eigen leven is gaan leiden. Als een mop wordt doorverteld, ondergaat -ie veranderingen, hij wordt geperfectioneerd en wordt, al doorvertellend, bijgeslepen als een steen, tot -ie de perfecte vorm heeft bereikt.

Hetzelfde gebeurt met verhalen. Begin 2017 hield ik een lezing voor de Auteursbond, dat als onderwerp sterke verhalen had, en dat zich bezig hield met de vraag waarom er weinig nieuw repertoire voor het Grote Toneel wordt geschreven. Ik heb daar geen antwoord op. het ligt aan heel veel dingen en er is waarschijnlijk niet één antwoord op te geven. Maar aan het al of niet bestaan van de goede verhalen zal het niet liggen – die zijn er. Je moet ze alleen zien, weten op te pakken en het op je eigen manier veranderen om er betekenis aan te geven.

Met dat idee in het achterhoofd heb ik twee grote toneelverhalen opgepakt en het verhaal van die verhalen proberen te vertellen. Ik heb Oidipous en Faust gedebunkt, teruggebracht tot iets dat echt gebeurd is, vervolgens het proces van mythevorming beschreven en tenslotte wat schrijvers er aan hebben toegevoegd om van die mythen een ijzersterk en verhaal te maken, die later van enorme invloed blijken te zijn.

OIDIPOUS

De feiten

Vele eeuwen voor onze jaartelling (het concept jaartelling is trouwens eveneens een spruit van mythen) bestond de wereld uit Griekenland. Deze wereld bestond uit min of meer georganiseerde stadstaten. Belangrijkste persoon was in naam een vrouw, de priesteres, degene die het dichtst bij de Goden stond. Maar de mannen hadden de werkelijke macht. En die waren expansief, die mannen. De meest ambitieuze trokken er op uit om een stadstaat te veroveren. Korinthe was een stadstaat waar de troonopvolging van vader op zoon ging: gaat vader dood, dan volgt de zoon hem op. In Thebe is de opvolging matriarchaal, de zoon van de priesteres wordt de volgende koning. Zoals bij het Dappere Snijdertje. Wie de prinses trouwt wordt koning. Een subtiel verschil, met nogal wat consequenties. Goed. Dit zou er gebeurd kunnen zijn. Een jonge man, Oidipas, komt uit Korinthe, een patriarchaal bestuur, en verovert Thebe. Het betekent -bestuurlijk-  dat hij met de priesteres (de moeder van Thebe) Iokaste trouwt. Hij wil de grondwet wijzigen: Niet de dochters van zijn vrouw, maar de zonen van zijn vrouw zullen voortaan verantwoordelijk voor de opvolging van de macht zijn. Dit zet kwaad bloed bij de broer van de priesteres, Creoon, en bij de bevolking. Het loopt niet goed af met Oidipas – het volk van Thebe komt in opstand en Oidipas wordt verbannen.

Mythevorming

In de eeuwen er op gebeurt er van alles met het verhaal. Een aantal mythen hechten zich als vliegen aan een strooplint aan de historie. Hoe wordt dit wat saaie verhaal nu een verhaal, waarin een Oidipous (kapotte voet) koning wordt van Thebe, na een raadsel te hebben opgelost die een sfinx hem opgeeft, en er na een aantal jaren achter komt dat de man die hij tijdens een reis heeft vermoord zijn eigen vader is en de vrouw met wie hij is getrouwd zijn moeder is.

De sfinx  is als motief enigszins te achterhalen. Dat is een wezen met een vrouwengezicht, het lichaam van een katachtige, de vin van een vis en de vleugels van een zwaan. Waarschijnlijk werden ooit de vier seizoenen zo afgebeeld en de griezelige afbeelding is een eigen leven gaan leiden. Het raadsel: wat loopt eerst op vier benen, dan op twee en dan op drie? – Antwoord: de mens. Als kind, als volwassene en als bejaarde met een stok – was toen al een ouwe mop, maar wel heel geschikt voor het verhaal.

Het motief van de incest ligt ingewikkelder. Maar er wás een man die de eer van de priesteres heeft bezoedeld door te trouwen met iemand die de inwoners van de staat als hun moeder beschouwen, om haar vervolgens alle macht te ontnemen. Ook zal het wel zijn voorgekomen dat, om het ingewikkelde gedoe rond het matriarchaat te omzeilen, een stervende koning een (bastaard) zoon naar voren schuift om hem op te volgen. Hoe dan ook, de mensen in Korinthe waren erg boos op de indringer en na diens verbanning zal de clan van de indringer ook wel een duit in het zakje hebben gedaan om hem te diskwalificeren. (Hij was niet een van ons, eigenlijk was hij een van hún!). Ook nu nog bestaat een deel van politiek bedrijven uit het herschrijven en herschikken van verhalen. Dat zal toen niet anders zijn geweest. En zo kan het gebeuren dat iemand, die met weinig succes een troon heeft opgeeist zo maar een een incestpleger is geworden. Hoe men het leeftijdsverschil tussen de beide liefdespartners verklaarde weet ik niet. Men heeft het er doodeenvoudig niet over.

Het doden van de vader: Afkomstig van het ritueel dat een verslagen vorst met gebonden voeten achter een wagen wordt gesleept tot hij in flarden en stukjes door de straten van de stad teruggevonden wordt. Ziehier het verband tussen Laios en de wagen.

Je ziet: opzettelijke -politieke- veranderingen aan het verhaal, echte misverstanden die de allure van echt gebeurd krijgen en ronduit fantasie, tuk op tot de verbeelding spekende gewelddadigheden en schandalisme vormen het verhaal. Dat was toen zo, en zo gebeurt het ook nu.

De vertellers hebben een aantal problemen met de logica van het verhaal (niet de  waarheidsgehalte van de gebeurtenissen). Hoe kan hij niet weten dat het zijn moeder is? – Omdat hij ergens anders is opgevoed. Door herders. Een motief dat al langer bestaat en zelfs in 19e eeuwse sprookjes nog voorkomt. Kinderen werden wreed te vondeling gelegd, met een spijker door de voeten – om duidelijk te maken dat de ouders afstand doen van hun baby. Hoe is hij bij de herders terechtgekomen? In een kistje, een rieten mandje, dat te water wordt gelaten en afdrijft, de dood of een onzekere toekomst tegemoet. Een bekend motief, tot in de Bijbel. Er zou best eens een echte praktijk aan ten grondslag kunnen liggen. De oude vorm van het vondelingenloket. Moeders zullen dromen dat het kind als door een wonder toch nog goed terechtkomt, een geloof dat maar zeer af en toe bewaarheid wordt. Alles kan gebeuren, dus ook, al is het heel zelden, dat waar je op hoopt.

En zo wordt de fictieve Oidipous opgevangen door herders, die hem al vroeg afstaan een de koning van Korinthe, die hem op laat groeien als zijn eigen zoon. Op een dag krijgt hij een voorspelling: hij zal zijn eigen vader vermoorden en met zijn moeder trouwen. Omdat hij niet weet dat degenen die hij als vader en moeder beschouwt, niet echt zijn ouders zijn, gaat hij er vandoor en doet allerlei omzwervingen. Bij een ervan wordt hij lastig gevallen door een wagenmenner. Hij wordt boos, hij doodt de stuurman en de inzittende (zijn vader, blijkt later) . En hij heeft het raadselgesprek met de sfinx.

Na een jarenlange koningsschap komt hij volgens de mythe achter zijn eigen verleden. Iocaste, de vrouw/moeder kan de schande niet aan en maakt zichzelf van kant. Oidipous wordt verbannen – het enige van het oorspronkelijke verhaal dat nog klopt. Zo is na honderden jaren  een mooi wonderverhaal ontstaan, met politieke en sprookjesachtige elementen.

Sophokles

Van Sophokles is de uitspraak: ‘Ik verzin geen verhalen, ik haal alles uit het werk van Homerus’. Een mooie schrijversuitspraak, maar het lijkt me in dit geval sterk. In Odysseus wordt aan dit verhaal slechts gerefereerd,’ t is meer een voetnoot. Odysseus komt in de onderwereld, treft daar Iocaste aan (onder een andere naam) die maar heel summier over Oidipous vertelt. Ik kan me niet voorstellen dat hij in die passage een geweldig toneelstuk zag. Eerder denk ik dat het verhaal van de man die zonder het te weten zijn vader heeft gedood en met zijn moeder is getrouwd al heel lang een eigen leven heeft geleid in de volksverbeelding.

Als Sophokles besluit van deze spectaculaire stof een toneelstuk te maken, moet hij een paar problemen oplossen. Het eerste is: Hoe komt Oidipous achter de aard van zijn afkomst en zijn schandalige daden? En vooral: Hoe vertel je dat op een manier die de aandacht van het publiek vasthoudt? Stel je voor, je kijkt naar een toneelstuk over een man die kennelijk de koning is van iets. Vrouw en kinderen lopen rond. Er wordt een brief bezorgd. Daarin staat dat hij zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder naar bed is geweest. De koning neemt kennis van de brief en trekt zich uit wanhoop de haren uit het hoofd.

Tja, denkt de toeschouwer. Goed voor een krantenkop, maar nog niet echt een verhaal. Wat is het probleem? Vervelend voor die man, maar waarom moet ik dat weten? We willen iemand zien die strijdt en vecht voor iets, niet iemand die een vervelende brief ontvangt. Anders wordt het net als een voetbalwedstrijd waar de uitslag van tevoren al bekend is.

Dat is niet de manier waarop verhalen werken.

Sofokles moet eerst gedacht hebben: om iemand ongelukkig te laten eindigen, moeten we het verhaal beginnen op het moment dat de held gelukkig is. Hij denkt nog even door. Misschien is gelukkig niet het goede woord, maar ideaal. We stellen ons een ideale koning voor. Rechtvaardig, neemt goede beslissingen, iedereen loopt met hem weg, een geweldige gast. En juist hij blijkt niet zomaar een paar menselijke fouten te hebben, hij blijkt blijkt het laagste van het laagste te zijn.  De grootste crimineel. Alsof Nelson Mendela zichzelf ontmaskert als fanatieke genocidepleger. Of dat Ghandi de aanvoerder bleek te zijn van een gruwelijke moordcommando.

We moeten dus beginnen hem te zien in een situatie waarin hij verstandig en snel kan handelen, liefst op een manier waarop normale mensen niet in staat zijn. Athene was in de tijd van Sofokles een bloeiende stad met een hoog beschavingsniveau. De minder gecultiveerde en ruigere en daardoor sterkere Spartanen lagen hun kans af te wachten, maar Athene wilde van geen gevaar weten. Sofokles leefde in een ideale staat, kunst stond in hoog aanzien en Sofokles was beroemd. In zijn jeugd heeft hij één verschrikkelijke en angstaanjagende toestand meegemaakt – een vreselijke ziekte brak uit waar veel mensen aan stierven. De pest. Er bestond geen medicijn tegen.En besmet raken ging heel gemakkelijk. Artsen konden niet veel anders doen dan de goden te laten beslissen over het lot van de Atheners. Keer op keer werden er bodes naar het orakel van Delphi gestuurd om te vragen hoe de vlag er bij hing. En keer op keer kwamen ze terug met cryptische aanwijzingen, totdat de ziekte was uitgewoed.

Hieraan zal Sophokles gedacht hebben toen hij een beginsituatie voor zijn stuk zocht. Wat als Thebe nu eens door zo’n verschrikkelijke ziekte wordt overvallen. De koning moet met een oplossing komen voor iets waar geen oplossing is. Een opstand dreigt. Hij moet zijn positie waarmaken.Hij stuurt een bode naar het orakel om raad te vragen. De bode komt terug met het medicijn: ‘vind de man die zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder het bed heeft gedeeld.’

Hebbes!

Teiresias

Een van de personages in het stuk is Teiresias, de figuur van de blinde ziener.Wat hij zegt is waar, ook al zou je het liever niet willen geloven. De geschiedenis van Teiresias wil ik je niet onthouden. Er bestaat een legende dat als je twee slangen ziet paren,  je dan ogenblikkelijk verandert in een ander geslacht. Gelukkig ziet Teiresias acht jaar later op dezelfde plek weer twee slangen paren, wat hem weer terug  in een man verandert. In het Pantheon hebben oppergod Zeus en zijn vrouw Hera een. Hera verwijt Zeus dat hij steeds vreemdgaat. ‘Ja, maar jij haalt als vrouw veel meer plezier uit de seks,’ zegt Zeus. ‘Wat een onzin. Dat is helemaal niet waar!’ roept Hera uit. Omdat de argumenten vruchteloos over en weer gaan besluit Zeus Teiresias er bij te halen, die immers als man ook vrouw is geweest. Hij verklaart desgevraagd: ‘Op een schaal van een op tien heeft de man één punt plezier en de vrouw negen. Hera accepteert het antwoord niet en slaat Teiresias met blindheid. Als troostprijs schenkt Zeus hem een blik in de zuivere waarheid.

Latere bewerkingen

Om  het verhaal te beginnen met een man die  het geweldig politiek probleem rond de volksgezondheid moet oplossen, is een magistrale kunstgreep geweest. Het stuk moet een enorme indruk hebben gemaakt. Doordat het refereert aan omstandigheden die ieder kende uit verhalen en eigen ondervinding was het enorm krachtig, had men het idee dat wat Oidipous overkwam, henzelf ook kon overkomen. Tot nu toe zitten adolescenten, die het verhaal voor het eerst voor hun ogen zien afspelen aan hun stoel gekluisterd en huiveren als het tot hen doordringt dat hijzelf degene is op wie hij een verschrikkelijke vloek heeft uitgesproken. ‘Oh nee!’ Hoe hij zich vastklampt aan de hoop dat het niet zo is. Teiresias die het verhaal met tegenzin en slechts onder zware druk vertelt en als klap op de vuurpijl het naieve verhaal van de herder, die de laatste twijfels wegneemt en daarmee, zonder het te willen, de bodem onder het bestaan van de held wegrukt.

Wat een verhaal! Goddank niet verloren gegaan in de grote bibliotheekbrand in Alexandrie, heeft het voortgeleefd in allerlei versies. Seneca schreef een versie, waarbij Oidipous vanaf zin 1 al onheil voorvoelt (wat ik persoonlijk minder sterk vind.Met iets voorvoelen geef je te veel van het eind weg, wordt het eind voorspelbaar).

De succesvolle man, van wie de ijle brug instort waarop zijn succes is gebouwd is voorgoed een psychologisch probleem geworden omdat elke leider, hoe getalenteerd ook,  zich bewust is van zijn twijfelachtigheid. De angst voor het Zelf. Wie weet voelde Freud zich daarom aangetrokken tot het verhaal toen hij het seksuele verlangen van een zoon naar zijn moeder het Oedipouscomplex noemde. De moderne psychologische roman is ondenkbaar zonder dit Oedipusverhaal.Het wertk van Karl-Ove Knausgaard is een verslag van een proces van voortdurend zelfonderzoek en zelfveroordeling. Ook nu geldt de Zelfveroordeling als iets dat een oprechter document oplevert dan een zelffelicitatie.

Sprookje

Na vele bewerkingen kreeg het verhaal ook weer nieuwe vormen, onder andere in een sprookje. Een herbergierster is nverwachting en droomt dat ze met haar zoon is getrouwd. Als de zoon is geboren doet ze het kind in een kistje en laat het de rivier afrijven. Ze legt er geld bij en een brief met de smeekbede het kind op te voeden. Achttien jaar is het knd nu en opgevoed door arme vissers. Hij vindt de brief en gaat op zoek naar zijn echte familie. Onderweg moet hij aan de kost zien te komen en gaat werken bij een herberg. Hij trouwt met de eigenares. Een paar jaar later vindt de vrouw de brief tussen de spullen van haar man. Schande dus. Ze vertelt hem dit en de man laat er geen gras over groeien: Hij trekt zich terug op een kasteel op een eland en gooit de sleutel in de slotgracht. Die sleutel wordt gegeten door een vis, de vis wordt gevangen door een groep priesters, bezoeken de kluizenaar en verheffen hem tot paus.

FAUST

Dit verhaal is veel later ontstaan. De middeleeuwen met een machtig christendom waren nodig om dit verhaal deze specifieke gruwelijke elementen mee te geven en het latere humanisme gaf er betekenis aan.

De feiten

Doctor Faust heeft echt bestaan. Jörg Johannes Faust is geboren in 1480 in het Duitse Knittlingen en zijn leven eindigde een en zestig jaar later met een knal in Hotel Zum Löwen Staufen in Breisgau. Zijn bestaan is gedocumenteerd, hoewel niet uitgebreid, maar er waren mensen die hem hebben gezien en in staat waren er over te schrijven. Sommige bronnen beweren dat ij een blauwe maandag in Heidelberg heeft gesturdeerd, waar hij stond ingeschreven onder de naam Helmstetter. Hij trok door een aantal Dutse staten en maakte furore als wonderdokter, astroloog, alchemist en helderziende. Het is niet verwonderlijk dat niet iedereen zijn werken op prijs stelde. De gewone mannen en vrouwen vonden hem geweldig en lieten zich graag verleiden door zijn praatjes, maar de meer geletterde mensen moesten niet veel van hem hebben, vandaar dat hij in de bornnen niet al te positief wordt beschreven. De theoloog Johannes Trithemius heeft hem bezig gezien en schrijft: ‘In Kreuznach kreeg Faust een een baan als scjoolmeester aangeboden, maar nadat hij de leerlingen schandelijk misbruikte en ‘entfloh er als der Sache ans Licht kam’.

Ergens aankomen en dan weer vluchten was the story of his life. In Ingolstadt wordt hij weggejaagd om waarzeggerij, In Neurenberg om Sodomie en toverij en in Tübingen wegens sterrenwichelarij en nooit kloppende voorspellingen. Niet alle leden van de elite waren tegen hem. in het klooster Rebdorf luisteren de monniken graag naar zijn voorspellingen van de gebiorten vn toekomstige profeten en de Bisschop van Bamberg liet door hem zijn horoscoop trekken. Een van de mooise ware verhalen is over zijn bezoek aan het toen nog Nederlandse Batenburg. Daar heeft hij de hoofdhuiod van een kapelaan verwoest door te beweren dat hij hem kon scheren zonder scheermes. Hij kwastte de arme man in met arsenicum.

Een bekend, maar niet te refereren verhaal over de echte Faust wil dat hij het bij de Duitse Klerus voorgoed verbruidde toen hij verkondigde dat hij, net als jezus, over het water kon lopen. Hij zal ongetwijfeld een idee hebben gehad hoe hij de truc moest uitvoeren.

Maar met het produceren van goud vergistte hij zich. Na een ontploffing tijdens een van zijn experimenten in Hotel Zum Löwen,  is zijn lichaam in ‘grässlich deformierte Zustand’ aangetroffen. In het echte leven van Jörg Faust zijn voldoende pikareske elementen om een heel boek aan te wijden, of een film.

Mythevorming

Een paar honderd jaar waren er voor nodig om het leven van de wonderdokter Faust in een volgende vorm te gieten. In 1587 verscheen Historia Von D. Johan Fausten/dem weitbeschreyten Zauberer und Schwartzkünstler’, uitgegeven doorJohann Spies te Frankfurt. Spies gaf theologische boekjes uit, op Lutheraanse school geschoeid.  Vandaar dat naast de groteske volksverhalen de theologische elementen in het verhaal werden benadrukt. Verschillende griezelverhalen en moppen vinden hun weg in dit boekje, alsook fundamentele disputen over goed en kwaad.  De verhalen hadden waarschijnlijk eerst andere hoofdpersonen, maar het was wel makkelijk om ze allemaal onder de noemer Faust te brengen.

Dat gebeurt nu ook. Verbind aan een sterk voetbalverhaal de naam Johan Cruijff en, ook al speelde die in het oorspronkelijke verhaal geen rol, het is makkelijker en niemand zal het kapot checken.

Het verhaal dat er uiteindelijk uit kwam is dat van de geleerde die de eeuwige jeugd wenst en daarom een pact met de duivel sluit. Het contract houdt in dat de Doctor vierentwintig jaar lang kan doen wat hij wil, maar daarna onverbiddelijk ter helle vaart. Als hulpje krijgt hij een knecht van de Duivel mee, die enrzijds tot taak heeft al zijn wensen in te willigen en anderzijds om hem aan zijn contract te houden. Het cntract wordt met bloed ondertekend, de vierentintig vrolijke jaren zijn om voordat hij het weet en zijn einde is gruwelijk.

Het contract met de duivel is iets dat mee is gekomen met de heksenprocessen.  Het bestaan van heksen wordt onder druk van fanatici door het kerkelijk gezag onderschreven en als gevolg daarvan vonden gruwelijke processen plaats, waarin voornamelijk vrouwen werden beschuldigd van hekserij. Een beschuldiging,hooguit aangevuld met rammelende bewijzen, was vaak genoeg voor een brandstapel. Het heette dat heksen een pact met de duivel hebben gesloten, al of niet in den vleze, en alles wat bijzonder was, inclusief het welbespraakt zichzelf verdedigen, werd tegen de veroordeelde gebruikt. Tegelijkertijd gold het ontkennen van hekserij als ketterij. Iemand als Faust was dus een mannelijke heks.

Waar de vierentwintig jaar vandaan komen, weet ik niet. In mythologische zin betekent het volledigheid, waaruit verklaard kan worden dat een dag vierentwintig uren telt.

De naam van het hulpje is Mephistofeles. Die is afkomstig uit een boekje dat de echte Faust gebruikte bij zijn duivelsuitdrijvingen: Der Höllenzang. Een hoeveelheid myzstiek bladzijden, vol vreemde tekens en Latijnse en Hebreeuwse tovergeschriften.  Van voor naar achteren bladerend kon je iemand de hel in wensen, en van achter naar voor bladerend kon je iemand de hemel geven. Op de laatste bladzijde staat een parafrase van het woord Lucifer, de naam van de Duivel: Mephistofiles.

Een van de eerste dingen die Faust wil in deze Historie is gaan trouwen met iemand. Dit nu is onmogelijk, want het huwelijk is iets Heiligs. Maar ‘Zoo veel als hoererije ende alle egtbrekerye aengaet, dat is al goed voor ons’, zegt Mefistofeles.

Faust beleeft tijdens de vierentwintig jaar de meest wonderlijke avonturen. Hij schopt de kont van de Paus, hij verleidt Helena van Troje, hij eet een halve vracht hooi op, hij maakt een reisje door de hel, en maakt kennis met de belangrijkste bewoners ervan, hij maakt een ruimtereis, een wereldreis, waarbij hij de Turkse Keizer in een standbeeld verandert en zich laaft aan diens vrouwen,  ontmoet heiligen, wandelt in het Paradijs, ontmot Karel de Vijfde, Alexander de Grote, tovert mannen bokkenhoorns op het hoofd, en namaakbeen als zijn eigen vlees verpandt bij een jood, hoe hij wijn uit een onleegbaar vat tapt  – je kunt het zo gek niet bedenken. In de nacht van 23 op 24 oktober van het jaar 1538 horen studenten rondom het gasthuis waar ook Faust verblijft een enorme wind op steken. Ze blijven op hun kamer omdat Faust hen bezworen had dat ze er aan zouden gaan als ze zich daar buiten zouden wagen. Er volgt een verschrikkelijk kabaal. Faust schreeuwt de longen uit zijn lijf. De volgende dag wordt hij in stukken gescheurd aangetroffen in en om de herberg. Ze kunnen alleen zijn romp vinden en die wordt dan ook maar begraven.

Marlowe

Het boek van Spies staat bekend als Volksboek. Het is populair, wordt vertaald en zo komt het werk in het Elizabethaanse Engeland terecht. Christopher Marlowe, de toneelschrijver-diplomaat pakt het op en bewerkt het tot toneelstuk. De vorm van het Engelse theater met z’n afwisseling van komedie-en tragedie elementen verdraagt een dergelijk verhaal aardig goed. In de volksboeken staan de discussies tussen Faust en Maphistofeles los van de avonturen die de wonderlijke dokter beleeft. Nu voeren ze hun gesprekken tijdens de avonturen, wat dramaturgische voordelen heeft. Faust is een man voor wie de wetenschap niet ver genoeg reikt en wil door de grenzen heen breken. Religie wordt in die tijd dan al gezien als iets dat kennis tegenhoudt en al loopt het slecht met degene af die de grens overschrijdt, het bestáát en daar was een paar eeuwen daarvoor nog geen sprake van.

Goethe

Het stuk van Marlowe bereikt tweehonderd jaar later Duitsland weer en wordt eind 18e eeuw overal opgevoerd, voornamelijk als poppenkastvoorstelling. Dit trekt de aandacht van de jonge Johann Wolfgang Goethe en hij besluit zijn eigen versie te maken en dat houdt hem heel lang bezig. Pas op zijn tachtigste is hij klaar met het project. Het is een heel lang stuk, Goethe heeft niet de illusie dat het ooit zal worden opgevoerd, maar toch wordt dit bij ons de beroemdste versie van het Faustverhaal. Het is de Faust van Goethe.

Alles is aanwezig, het theologische dispuut met de duistere demonen, de wonderlijke avonturen, het contract met de duivel, de hellevaart op het eind, maar er is ook iets dat volkomen nieuw is: Gretchen.

Het verbod van de Duivel om te trouwen wordt in dit stuk het verbod om lief te hebben. Lust ja, liefde nee. De met demonen begiftigde Faust wordt stapelverliefd op een eenvoudig en vroom meisje, en maakt haar zwanger. Door toedoen van Mefistofeles, die hij zelf uiteindelijk heeft over zichzelf heeft afgeroepen, en die een onafscheidelijk deel van zijn leven is geworden, verzaakt hij haar. Het meisje, wanhopig doet alles om haar lieve ‘Heinrich’ terug te krijgen en is zelfs bereid haar moeder met een giftig drankje om het leven te brengen! Dit komt haar op de doodstraf te staan. Faust moet toezien hoe zijn geliefde naar het schavot wordt gebracht. De consequentie van immoraliteit in een morele wereld.

Gretchen

De uitvinding van Gretchen – ik vind het een uitvinding – maakt het verhaal voor ons razend meeslepend. Het is nu niet alleen geen ideeën-stuk meer, zoals bij Marlowe, maar ook een psychologisch drama. En net als het motief van de pest bij Sophokles, is het Gretchen-motief iets dat werkelijk deel heeft uitgemaakt van Goethes leven.

Als leerling-advocaat  in dienst van zijn oom is de jonge Goethe betrokken het proces tegen Suzanna Margaretha Brandt, een dienstmeisje dat zich liet bezwangeren door een onbetrouwbare goudverkoper uit Holland. Omdat ze haar baan niet wilde verliezen hield ze haar zwangerschap zo goed en zo kwaad als het ging geheim en toen het kind eindelijk daar was, wist ze zich er geen raad mee. Ze liet het kind vallen en het stierf. Ze verstopte het lijkje o der een baal stro – het lichaampje werd ontdekt, het werd een gruwelverhaal in de krant, iedereen had het erover. Een bloeddorstige zoektocht naar de dader leidde naar Suzanna die zich alleen wist te verdedigen door te jammeren dat het een Sturzgeburt was, bij de bevalling is het kind gevallen. Dat eloofde niemand, met veel poeha werd de arme dienstmeid ter dood veroordeeld en Goethe was getuige van het vonnis. In zijn biografie Dichtung und Wahrheit heeft hij het er in een tussenzin over, in de Faust speelt de moord door omstandigheden wel een grote rol. Ook het feit dat een vroegere geliefde, Lotte, de jonge Goethe ooit afwimpelde door te zeggen ’het mag niet van mijn broer’ heeft invloed gehad: Het is Valentin, Gretchens broer, die Gretchen aangeeft als moordenares van haar moeder.

Latere bewerkingen

Het Faustmotief – uitgekleed als een Elckerlyckmotief – het middelmatige personage dat het slechte pad op gaat om het beter te krijgen en daarna verstrikt raakt in het netwerk van het Kwaad – kent vele gedaanten. Bij Thomas Manns Doctor Faustus zien we de componist Adrian Leverkühn geniaal worden door een Duivelspact: hij moet de liefde opgeven. Hartverscheurende taferelen in zijn persoonlijke leven en een wereldoorlog zijn het gevolg. Bij Heinrich Mann stelt een acteur, die Mefisto speelt, zijn enorme gave ten dienste aan het Nazibewind. Nu zien we Amerikaanse televisieseries als Breaking Bad, de film en de serie Fargo, die het Faustmotief belichten. Met als vaste ingredienten de mens die via het kwaad boven zichzelf uit wil stijgen, de duivelse raadgevers, de liefdesoffer en een wisse dood. De oppervalkkige boodschap is: als je het slechte pad op gaat loopt het slecht met je af; de aantrekkelijkheid van het thema is de boodschap die onder de oppervlakte ligt: Je leeft weliswaar kort, maar wel meeslepend. Of zoals de filosoof Slavoj Zizek zegt: Wil je een lang of een interessant leven!

VERHALEN

De sterke verhalen voor kunst en enterainment zijn niet de verhalen die je verzint. De verhalen zijn er al, ze zijn aanwezig in krantenartikelen, advertenties, de oppervlakkige praatjes, het geroddel, in het hele menselijke verkeer. De mens kan alleen de werkelijkheid begrijpen in de vorm van  fictie. Zonder de fictie van het gelukige gezin was er geen reclame geweest voor ‘gezonde’ margarine, had Unilever het smeersel niet kunnen verkopen, zou het niet geproduceerd zijn, was er geen economische groei en geen werkgelegenheid. Zonder de fictie van het bestaan van goed en kwaad zou het nieuws onbegrijpelijk zijn. Politici, oorlogshitsers en economen zijn verhalenvertellers. Je hoeft niet te zoeken naar de verhalen. Ze zijn er al. En iedereen kent ze. Je moet ze alleen kunnen zien en, zoals Goethe en Sophokles en al die andere grote kunstenaars, met je eigen ervaringen er een nieuwe draai aan geven, waardoor het publiek ook kennis kan nemen van verhalen die hen niet worden opgedrongen. Een progressief geluid in reactionaire tijden is even belangrijk als een reactionair geluid in tijden van vooruitgang.

Aristocraten

Laatst sprak ik met iemand over William Burroughs. Een man die volop dope gebruikte, maar niet mee ging in het hippie-gedoe er omheen. Een schrijver van het soort moderniteit dat je nu niet meer tegenkomt én een man met oerconservatieve denkbeelden. ‘Dit is een Aristocraat,’ beweerde mijn gesprekspartner met bewondering.

Ik bladerde wat in de boeken van Céline, met zijn verheven gevloek en gemopper, zeer xenofoob hier en daar en uiterst rechts. Hij beeldde zichzelf het liefst af als een als gevolg van zijn eigen principes tot armoe vervallen verschoppeling, maar die wel het recht op recht aan zijn kant heeft. Ik denk: Ook dat is een aristocraat.  Zoals ook Nabokov en Gombrowicz (Die waren het overigens echt).

Het is een eigen, soevereine manier van denken, die geen tegenspraak duldt. Een volstrekt individualisme, dat zich door niets van de wijs laat brengen. En laten we eerlijk zijn – dat heeft wel wat.

Aristocratie is een bestuursvorm, waarbij een deskundige en bevoorrechte elite de dienst uitmaakt. Plato was daar vóór, want voor iedereen is nu eenmaal een rol weggelegd in het leven. Democratie vond hij een gruwel (als je het aan het janhagel over laat krijgen de schurken het binnen de kortste keren voor het zeggen en zitten de onderzoekers, de filosofen, de dichters en de vaklui in de bajes). Nu is de aristocratie jarenlang in onze contreien en ver daarom heen de enige regeringsvorm geweest, tot die elite aan wereldvreemdheid ten onder ging.

Ik zelf ben geen aristocraat, want ik vind dat talent uit alle lagen en gezindten van de bevolking voor kan komen en dat ieder het recht moet hebben te doen waar hij goed in is. Ik behoor toe aan de saaie gezellige linkse intellectuele bubbel. Maar bekijken we het lijstje van kunstenaars die een aristocratische, soevereine levenshouding hebben, dan zijn dat toch niet de minste. Ik doe een lijstje van de eerste namen die in me opkomen. Behalve die ik al heb genoemd zijn dat:

W.F. Hermans, Willem Oltmans, François Mitterand, Willem-Alexander, Gerrit Komrij, Bas Heijne, Frits Bolkestein, Ollie B. Bommel, Oblomov, Dostojevski, Tolstoj, Friedrich Nietzsche, Goethe, Mélanie Schultz-van Haegen, Neelie Kroes, Bram Peper, Willem Mengelberg, Ayn Rand, Alexander Pechtold, Winston Churchill, Barack Obama…

Mannen en vrouwen, politici van links tot rechts, soms heel aardige mensen, vaak getalenteerd en zowel  veracht en geprezen. Maar altijd uitgesproken en altijd uitgaande van een zekere verhevenheid. Het zit er allemaal tussen.  Wie voor mijn gevoel géén aristocraten zijn is net zo’n gek lijstje:

Louis-Paul Boon, Hugo Claus, Spinoza, Karl Marx, Freddy Heineken, Anton Philips, Angela Merkel, Donald Trump, Geert Wilders,  Moeder Theresa, Karel Appel, Lucebert, Emile Roemer, Frank Zappa, Jaap van Zweden, Máxima, Mark Rutte, Donald Duck,  Kamagurka, Jezus Christus, Dizzy Gillespie, Linda de Mol.

In het laatste lijstje zitten populisten (die hebben géén aristocratische houding hoewel de aristocraat wel handig gebruik kan maken van het populisme.)De industriëlen en maatschappelijke draufgänger reken ik ook niet tot de aristocratie, die zich immers verzet tegen maatschappelijke mobiliteit.  Er zitten uiteraard ook zeer sociaal bewogen mensen, tussen, mensen die zichzelf opofferen voor mensen die het slechter hebben. Maar een gemeenschappelijke deler is misschien dat zij van het Laatste Lijstje zich níet verheven voelen boven de rest van de mensheid.

Ik sluit niet uit dat sommige namen ooit van het ene naar het andere lijstje kunnen springen, zodra ik meer over die personen weet. Ik weet zeker dat sommige lezers het totaal niet eens zijn met deze indeling. Het is niet zo dat ik het ene goed vind, en het andere slecht. Wel dat je, kijk je vanuit de ogen van een aristocraat, een heel andere wereld ziet dan als je uit de ogen van een niet-aristocraat kijkt.

 

Briljant

Sinds regisseurs de belangrijkste auteurs zijn van toneelstukken, dient de schrijver zich verre te houden van regieaanwijzingen. ‘We maken zelf wel uit of we een acteur van links naar rechts of van rechts naar links laten lopen,’ zeggen ze. En daar hebben ze gelijk in. Maar toch, omdat ook het beeld  deel van de vertelling uitmaakt moet je als schrijver kunnen aangeven wat de sfeer is je voor ogen staat. In amateuristische toneelstukken zijn de eerste aanwijzingen, voor de dialoog begint, meestal van organisatorische aard. Links een deur naar de keuken, rechts een deur naar de slaapkamer. Op de achterwand tuindeuren die leiden naar een tuin.’ Dat soort werk. Maar nu lees ik de eerste zin van de regieaanwijzing van Oscar Wilde in An Ideal husband, en het is meteen een zin die je, alsof je door een raket bent afgeschoten,  binnen in de wereld van zijn verhaal brengt. Die meteen de sfeer oproept, met de mensen die we zullen zien, de avond die we zullen beleven. Een heerlijke rake zin.  Je zult geen van de acteurs die zin horen zeggen, maar je zult hem voelen door alle poriën die bij een goed kunstwerk open staan. In het decor, in de manier van spelen, in het licht, in het geluid, in de subtekst, in de programmaboekjes … Het roept feest op en tegelijk een voorafschaduwing van verval en decadentie.

De zin luidt: The room is brilliantly lighted.

En dan een dialoog van mooie vrouwen, op zoek naar mooie rijke kerels: ‘I should have some serieus purpose in life. So I come here to try to find one.’ – De ander kijkt rond en zegt: ‘I don’t see anybody here tonight whom  one could possibly call a serious purpose. The man who took me in to dinner talked to me about his wife the whole time.’

En dat allemaal brilliantly lighted!

Cultuurdebat

Ik kwam jaren geleden naar De Balie voor een debat over cultuur uit andere streken. Ik hoopte van alles te weten te komen over hedendaagse Chinese prentkunst, modern theater uit het Midden-Oosten, elektronische muziek van de Inuit en de Colombiaanse avant-garde. Het woord ‘debat’ had me al moeten waarschuwen, want een cultuurdebat gaat niet over cultuur. Een cultuurdebat gaat over politiek van het engste soort.

Ik denk dat het er in het begin nog wel een paar Irakese kunstenaars werden geciteerd, maar al gauw werd het onderwerp terzijde geschoven door vragen uit het publiek.

‘Waarom gaat het weer over de Irakese elite?’ vroeg een jonge man zich hardop af, ‘en waarom gaat het nooit over de ellende die wij Koerden meemaken?’

‘Het gaat al genoeg over de Koerden!’ riep een andere jongeman. ‘Koerden en hun zogenaamde ellende.  Alsof wij Turken niet het recht hebben onszelf te verdedigen.’

De voorzitter greep in. Hij zei: ‘Laten we ons bij het onderwerp houden. Zoals de filmer Abbas Kiarostami zei…’ Maar hij kon zijn zin niet afmaken. Een andere  jongeman stond boos op. ‘Turken die het recht hebben zichzelf te verdedigen? Ha ha! — En de Armeniers dan?’

Godallemachtig. Ik begon me stierlijk te vervelen. De volle zaal begon naar zweet te ruiken. Boos zweet. Ik dacht: Ik hoor dit nog een tijdje aan, en als het niet verandert zeg ik er wat van.

Een Marokkaan gooide er nog een schepje bovenop. Hij stelde dat de Joden er op uit waren alle arabieren met wortel en tak te vernietigen. ‘We zouden het hier over cultuur hebben!’ mopperde een meneer in het publiek. Ik wilde bijna applaudisseren.  ‘Precies!’ riep de Marokkaanse jongeman. ‘De joden helpen de Arabische cultuur om zeep!’

Ik wist me van verveling geen raad meer. Ik hoorde Russen tegen Tsjetsjenen uitvaren, ik hoorde uiteraard ook Palestijnen tegen Israëliërs te keer gaan en ik had nog even de illusie dat er iemand op zou staan die zei: ‘als we het nou gewoon over kunst gaan hebben, als we met elkaar tot een nieuwe, even globalistische als individuele kunstuitingen kunnen komen, als we, net als bij de wetenschap, door samenwerking en geïnspireerde wedijver tot nóg mooier en beter in staat zijn – zouden dan  al die diepe regionale conflicten niet eens kunnen ophouden?’ Maar die hoop gaf ik op, toen iemand zei: ‘We hebben het hier wel over cultuur, ja? Niet over kunst of zo, want dat begrijpt toch niemand.’

Toen na de pauze dansende derwisjen optraden, zat de zaal nog maar voor een kwart vol. Ik liet me meevoeren in de trance, mijn gedachten werden mild en vloeibaar.  Ik koester weinig illusies over rol van de kunst voor de wereldvrede, maar ik heb een pesthekel aan dat politieke gezeik, de verbale versie van nationalistisch vlaggengezwaai. En ik weet dat dit een vrij land is, dat ieder het recht heeft te zwaaien met wat -ie maar wil, maar ik heb het recht me er kapot aan te ergeren. En om daarna mijn schouder op te halen. Dit is nu eenmaal de wereld waarin we leven.

 

Solidair

Ik ging apart naar een Havo waar ze kunstgeschiedenis als vak hadden. Daarvoor moest ik negentien kilometer rijden met de brommer. Het vak was prachtig van inhoud, maar werd helaas gegeven door een oudere leraar die geen orde kon houden. Telkens als hij met zijn rug naar de klas stond om iets aan te wijzen op een renaissance-kunstwerk (iets wat me heftig interesseerde) waren er jongens die blaadjes uit hun multomap scheurden, er propjes van maakten erop het hoofd van de leraar kunstgeschiedenis mikten.

Die dag draaide hij zich woedend om en zei: ‘Goed! Wie deed dat?’

Niemand natuurlijk.

‘Nog één keer. Wie deed dat? Als niemand de verantwoordelijkheid neemt deden jullie het allemaal en dan moeten jullie na het laatste uur terugkomen.’

Hoongelach was zijn deel.

‘Goed,’ zei de leraar kunstgeschiedenis, ‘dan blijven jullie allemaal maar na!’

Shit.

In de tussenliggende uren wierp een anders wat luie jongen, die een voorkeur had voor te korte t-shirts, zodat hij altijd met een blote buik rondliep, zich ineens op als verzetsleider. In de pauze bevond hij zich, druk pratend, in het midden van een groep klasgenoten met verbeten gezichten.

‘We komen geen van allen terug,’ bezwoer hij.

De meeste van mijn klasgenoten konden zich daar wel in vinden.

Maar ik hoorde bij een groepje dat wel degelijk terug wilde komen. Ik was wel nieuwsgierig wat de leraar kunstgeschiedenis te vertellen had over de renaissance, als hij even geen ordeproblemen had.

Daardoor ontstond er een strijd tussen een minderheid – wij – en een meerderheid – de opstandelingen. De Verzetsleider liet zich zijn rol niet afpakken en riep dat ons gedrag Niet Solidair was.

Ik zei tegen mijn vrienden dat solidair zijn niet hetzelfde is als meehuilen met de wolven in het bos. Niettemin helden mijn vrienden over naar wegblijven. De redenen die ze daarvoor aangaven waren vaag en verschillend, maar in de grond van de zaak werden zij geïnspireerd door groepsdruk. In feite zat ik die namiddag als enige tegenover de leraar kunstgeschiedenis, een en al oor voor de renaissance.

‘NSB-er!’ riep de Verzetsleider me na, nog jaren nadien. ‘Dat doe je niet. Met je klasgenoten hoor je solidair te zijn!’ ‘Werkelijk?’ antwoordde ik, als ik in mijn eentje was. ‘Is de Kunstgeschiedenisleraar dan een nazi? En is solidariteit niet iets wat je hebt met mensen die het slecht hebben getroffen? Gaat dit niet eerder over een verknipt soort groepsdwang? Sta jij niet de geschiedenis en de waarheid te vervalsen en om te buigen, alleen om een positie in de pikorde van de groep te krijgen?’ – Maar dat zei ik nooit hardop. Ik liet al die jaren maar welgevallen dat hij soms naast me kwam staan en ‘Gluiperd.’ siste. En ‘Ongelofelijke klootzak.’

Wat wél gebeurde, toen ik in mijn eentje tegenover de leraar Kunstgeschiedenis zat, met een afbeelding van de Sixtijnse Kapel in het zicht, was dat hij zei: ‘Ik ga niet alleen aan jou les zitten geven. Ga maar naar huis.’