Kwaad Grond

Toen ik voor het eerst de opdracht kreeg een toneelstuk te schrijven, schreef ik ‘Kwaad Grond’. In mei 1984 ging het stuk in premiere. Ik was vijfentwintig jaar. Ik vond Samuel Beckett mooi, en Wolfgang Borchert, Draussen for der Tür, ik vond de stukken van Brecht mooi, ik hield ook wel van Edward Albee, al deed dat me denken aan deftige toneelspelers waar ik niet zo van hield, ik zag de eerste stukken van Hauser Orkater, die me in eerste instantie vooral verleidden het heel anders te doen, ik hield van het sentimentele volkstoneel, maar ook van dat stuk waarin een vrouw in een berg zand tegen haar man praat, die ook in een berg zand begraven is. Ik las de Griekse tragedies, maar hield meestal niet van de manier waarop ze werden uitgevoerd. Oedipus vond ik knap gedaan, Medea verpletterde me omdat Euripides zo lekker grillig schreef. Die zinnen beschreven geen situatie, maar ze raasden als laserstralen door een lichaam dat in zo’n situatie zat. Ik ben altijd een luie, eclectische lezer geweest, maar mijn voorkeur ging altijd uit naar werk dat ik nét niet helemaal begreep. Toen ik de opdracht kreeg om het stuk te schrijven had ik dus de hele toneelliteratuur op mijn nek zitten. En ik wilde een stuk schrijven dat anders was dan alle andere. Ik bedacht me dat dat stuk dus totaal en brutaal met mezelf te maken moest hebben, want van mij is er maar éen. (In dit stuk komt irritant vaak het woord ik voor, maar dat komt omdat ik het onderwerp is. Over andere onderwerpen heb ik weinig te melden). Maandenlang zocht ik naar een thema en een onderwerp. Dat viel me niet mee. Alles is al eens gedaan. Ik las nog meer toneelstukken, Tsjechov, Ibsen, Shakespeare. Van de laatste vond ik De Storm bijzonder. Het meest ondoorgrondelijke stuk. Er hoorde muziek in en de teksten kwamen op me over als toverformules. Ik dacht aan een gedicht van Koos Schuur – Zonenlied: ‘Mijn vader riep mij om een stuiter, een stoter, een vogel van niets.’ Zonder dat ik in staat was het voor mezelf te formuleren wilde ik een theatervoorstelling, waarin beelden, scenes, ritmische zinnen, verhalen, muziek en beweging met elkaar iets zouden oproepen. Ik kon alles wat ik wilde, bewust of onbewust, niet goed bij elkaar krijgen. De acteur Wilbert Gieske zei: ‘Je zoekt naar een anekdote.’ – Maar ik vond geen anekdote. Ik bladerde op een zeker moment in een sprookjesboek uit de bibliotheek, een boek met volksverhalen en vond toen het verhaal van De heks van het Oerd, een Amelands volksverhaal, dat elementen bevatte van Odysseia (het strand) Medea (de razernij), The Tempest (De storm) en een aantal bijzondere beelden (een stormlamp, vastgebonden aan de hoorn van een koe, en met een ander touw vastgemaakt aan een poot, waardoor het licht zwaaide alsof het door een mens werd vastgehouden.) Dan was er nog het noodlottige gegeven van de vrouw, die, razend op de zee omdat ook haar liefste zoon de zee koos en haar alleen achter liet, met deze lampentruc schepen liet stranden, waarna ze brullend de aangespoelde scheepsladingen roofde… totdat in die noodlottige storm haar eigen zoon aanspoelde. Ik koos dit verhaal tot mijn anekdote. Wat ik niet wilde was dat verhaal van begin tot eind op het toneel te zetten, want dan zou je niet meer dan een kindervoorstelling overhouden. Wat ik wel deed was een paar monologen schrijven voor die vrouw, zonder te weten hoe die in een voorstelling zouden passen. Veel later, toen ik weer eens vast zat, maakte ik een tekening. Het moest te maken hebben met het verhaal, maar ik mocht geen van de elementen logisch en anekdotisch benaderen. Dus ik tekende een strand. Ik tekende een vrouw op een schommel. Een omgekeerd bootje. Een oberkelner met een dienblad en daarop het hoofd van een dode koe. Een klein kind dat in het zand speelt. Dat werd mijn synopsis.  Ik stelde me voor dat onder dat bootje twee figuren zaten die te bang waren om onder dat bootje tevoorschijn te komen. Ik stelde me die vrouw razend en tierend voor, en die ober, die in plaats van de wijnkaart het noodlot aanprees. Voor de mannen onder het bootje schreef ik flarden van gruwelverhalen en in zichzelf verstrikt rakende filosofische charades, voor het kind schreef ik kindergedichtjes en optelversjes, en voor de ober vage formules. Ik schreef ook veel rotzooi, dat er uitzag als ouderwets toneel, en waarvan ik het meeste schrapte. Het leidde tot een stapel papier, ik leverde het in, het gezelschap zag er wel wat in – tot mijn verbazing – ik kreeg er negenduizend gulden voor en het werd uitgevoerd in mei 1986. En ik moest zelf de ober spelen, anders werd het te duur. Het publiek vond het wel wat. Het zaaltje was steeds uitverkocht. Het was dan ook wel een bijzondere gebeurtenis. Geheimzinnige livemuziek, een decor dat bestond uit veel zand, een duikplank, inderdaad een schommel, een gedichten opzeggend kind en vooral een straal zand dat gedurende de hele voorstelling van boven naar beneden sijpelde, langzaamaan een berg vormend. De koeienschedel was kunstig en realistisch van piepschuim gemaakt. Een acteur, gekleed in een kostuum dat deed denken aan een Japanse ridder, vertelde, balancerend op de duikplank een verhaal waarmee hij zichzelf schrik aanjaagt. Van het anekdotische van het verhaal was weinig overgebleven, maar dat stond in het programmablaadje dat het publiek bij aanvang kreeg aangereikt. Men vond het mooi of durfde niet te zeggen dat het niks was.  Een aantal mensen die ik waardeerde vonden het niks en dat kwam hard aan. Maar de recensie kopte: ‘Veldman haalt de eeuwigheid naar het toneel’. Niet onverdienstelijk al met al.  Na de laatste voorstelling vond ik dat ik, wilde ik doorgaan met toneelschrijven, een beter begrip moest krijgen van de dramaturgie van het toneel. Er was niets te vinden op dat gebied, behalve enkele zware Duitse boeken en het boek ‘The art of dramatic writing; van Lajos Egri. De Duitse boeken analyseerden alles kapot en dat boek van Egri besteedde de helft van de tijd aan het uitleggen waarom Romeo de hoofdpersoon is van Romeo en Julia. Maar in de loop der jaren leerdi ik toch het een en ander, vooral door veel toneelstukken te lezen en films te zien. Met het toenemen van mijn kennis op het gebied van dramaturgie verloor ik het zicht een beetje op mijn eigen wereld en mijn eigen fascinaties. Ik begon steeds meer te denken in termen van ‘zo hoort het’ in plaats van ‘dat lijkt me geweldig!’ – Wat uiteindelijk wat meer vakwerk opleverde, maar ik verloor ook iets. Mijn laatste voorstelling nu, ruim dertig jaar later, is een bewerking van de Jungleboeken van Kipling. Het werd verteld in dans en muziek en een rapper. Voor hem schreef ik teksten die deden denken aan het ritmische getier en geschreeuw van de heks van het Oerd. Alle anekdotiek is uit de voorstelling gehaald, alles dat deed denken aan een toneelscene werd geschrapt, omdat het nu eenmaal een dansvoorstelling was. Beelden, zinnen, muziek, gebeurtenissen. Dat deed me denken aan mijn eerste stuk.  Iets in mij vraagt zich nu af: zou ik niet weer eens een ‘Kwaad Grond’ moeten maken, een stuk dat zichzelf loszingt van de anekdote, van de actualiteit van de krant en goed vallende thematiek, maar dat veel meer refereert aan de duistere verhalen van de geest, de kilte, de ongezellige kant van het bestaan. Een stuk met een eigen symboliek, een stuk dat niet per sé communiceert met onwilligen, dat meer de lijnen van muziek en dromen volgt, dan de logica van de anekdote. Laten we zien of dat lukt.

Gepubliceerd door Jan

Vanaf 1986 schrijf ik professioneel voor theater, TV en film. Bovendien geef ik les aan diverse schrijfopleidingen en ondersteun producties inhoudelijk/dramaturgisch.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *