Realistisch

6536857-p-590_450

 

Ik dacht na over ‘realistische’ en ‘verheven’ dialogen in films en toneelstukken. Realistisch in de zin van er staat wat het betekent. Verheven in de zin van poëtische ruimte.
Toen ik gisteren in een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz zat te bladeren, viel me op dat de personages tot elkaar spreken in de vorm van spreekwoorden en tegeltjeswijsheden. Dat is mooi, want het impliceert dat ze elkaars wijsheden begrijpen en zo spreken ze min of meer indirect met elkaar. Bijvoorbeeld een afscheidsscene:

A: ‘Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.’
B: ‘Een mens moet blijven dromen. Zonder dromen sterf je.’
A: ‘Het is goed om af en toe realistisch te wezen.’
B: ‘Voor de realiteit is tijd genoeg als ik in het graf lig.’

Dit bedacht ik zelf even in de gauwigheid, Kroetz schreef het wat volkser op, zijn personages bestaan uit armoeiige boze burgers. Hier hebben Helmut (een man met één been, verloren tijdens militaire dienst, in vredestijd) en de aardige Christine het met elkaar gedaan in het hooi. Er komt een zwangerschap van. Christine weet niet of ze wel zin heeft in deze vent. Maar Helmut wil wel. Ze zeggen dit:

H: ‘Dit is nou eenmaal het lot, die ken je nou eenmaal niet ontlope.’
C: ‘Maar dat jou dat lot mot treffe, der benne toch ook zoveel andere?’
H: ‘Dat is het lot.’
C: ‘En wat mot ik daar mee?’
H: ‘Een dappere man is beter as geen dappere man.’
C: ‘Ik had liever dat het zoals vroeger was.’
H: ‘Je bent ondankbaar.’

In een ‘realistischer’ dialoog zou je Christine misschien laten zeggen:

‘Ik weet het niet, Helmut. En ik hoop niet dat je het erg vind dat ik het zeg. Maar ik geloof dat ik me een beetje voor je schaam.’
En dan Helmut:
‘Luister, Christine, je hebt het maar te accepteren.’

Deze dialoog leest waarschijnlijk vlotter, dient de informatie meteen op en we kunnen verder.
Maar in de kunst gaat het niet alleen om informatie. Soms gaat het om wat er buiten de informatie gebeurt, en soms gaat het er om wat er overblijft als er géén informatie wordt uitgewisseld.
De ‘realistische’ dialoog maakt ook veel meer gebruik van zinnetjes als ‘Ik weet het niet, Helmut’ en ‘Luister, Christine’ -zinsdelen die bedoeld zijn als cement tussen de blokken feitelijkheden. Op zich betekenen ze weinig, maar laat je ze weg, dan stort de muur in. Vroeger schrapte ik dan dat soort zinnetjes. Het resultaat was dat ik alleen maar personages had die met eenzelfde soort botheid met elkaar spraken.

‘Ik schaam me voor je.’
‘Je hebt het maar te accepteren.’

‘Luister Christine’ en ‘Ik weet het niet Helmut’ heeft de geur van muffe hoorspelen, dus ik zocht iets anders. Ik zocht het meer in muzikaliteit, ritme, klank en herhaling:

‘Nee, wacht, Christine. Luister. Luister… Ik – Moet je luisteren. Wacht. Luister je? Okee. Goed. Kijk me aan. Zie je me? Dit ben ik. Dit is wie ik ben. Ja?’
‘Ja. Maar t is moeilijk. Ik zie je. Maar t is moeilijk.’
(Of zoiets)

Dat heb ik van Heijermans – de terugkomst van de verloren zoon, of, in dit geval, de verloren broer:

‘Wie? … Geért!’
‘Ja. Ik ben ‘t. Nou je mag me wel een poot geve.’
‘Heb je – Heb je moeder al…’
‘Nee. Waar is ze…’
‘Moeder, die… die..’
‘Wat sta je me nou bezopen aan te kijke?

Heijermans was een meester in het verstoppen van informatie. Hij paste ervoor om te schrijven:

‘Nee maar, Geert! Jezus! Wat een verrassing! Ik dacht dat je nog in de gevangenis zou zitten!’

Nooit de woorden zeggen waar het echt om gaat.
Liever lucht en losse kreten dan dat.

De Amerikaanse auteur David Mamet heeft ook zo’n manier van dialoogschrijven: de betekenis haal je uit een herhaling van op zich betekenisloze woorden. In deze scene wil de ene man van de andere man weten of hij ook verliefd op hem is.

‘Alsjeblieft.’
‘Dank je.’
‘Graag gedaan. Wat ben je vanavond van plan?’
‘Je bedoelt nu?’
‘Ja.’
‘Ik dacht- naar huis en wat lezen.’
‘Ah.’
‘Misschien een stukje lopen.’
‘Ah’
‘Waarom vraag je dat?’
‘Nergens om.’
‘Oh.’
‘Gewoon een vraag. Ik vroeg maar wat.’
‘Nou, IK dacht er dus aan om een stukje te lopen.’
‘Mmmm.’
‘Waarom vroeg je me dat?’
‘Nergens om – Tenzij je het leuk lijkt dat we ergens een hapje eten.’
‘Eten? Ik eet nu niet!’
‘Een kop koffie dan.’
‘Ik loop wel een stukje met je op.’
‘Prima.’
‘Goed.’

Lezen (1x) Koffie (1x) Eten (2x) stukje lopen (3x) – Stukje lopen wint! Voor de rest: veel ‘ah’s, ‘Oh’s, en ‘ja’s. Wat er echt gebeurt, gebeurt tussen de regels.
Toen ik het werk van Mamet eind jaren ’80 voor het eerst las ging er een wereld voor me open. Iets zeggen door niets te zeggen! Hoe bestaat het!

Maar ik blijf houden van de Kroetz-taal. Bij Kroetz denk je meer aan een geslaagde popsong. Je begrijpt de zinnen niet in hun letterlijkheid, maar je voelt wel waar ze voor staan en het is dat gevoel, dat een lied, of een toneeldialoog tot iets onvergetelijks kan maken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *